11 juli 1302 : De slag der Gulden sporen

Een militair-strategische Zege

Postkaart Brugse Metten (Uit het Archief Jan de Beule)

De West – Vlaamse edelman en beroepsofficier Baron de Maere d’ Aertrycke, betoogt in zijn ‘Mémoire sur la Guerre de Flandre’ (1302-1304) dat het verhaal van den verbitterden strijd tussen den Fransen Koning Philippe-le-Bel en de afstammelingen van Gwijde van Dampierre, zoo vruchtbaar is aan militaire lessen en ervaringen, dat uit de operaties der krijgsvoerden een cursus van krijgskunde, toegepast aan de geschiedenis van dien oorlog zou kunnen worden afgeleid.

Deze oorlog van 27maanden zag benevens den Guldensporenslag, er talrijke andere op ’t grondgebied van vier verscheiden landen plaatsgrijpen en bovendien nog operaties ter zee, zelfs een zeeslag en zoo een omvang van den Fransen koning wordt beslist.

Vanaf den 18e mei 1302, dag der Brugse Metten, tot den 20e september 1304, als een overtalrijk Vlaams Leger, het door den koning belegerde Rijsel komt ontzetten, volgen de strategische operaties zich op in een tempo en met een verscheidenheid die nu nog verwondert. Den 22e september 1304 moet Philippe IV inzien dat, spijts zijn hardnekkigheid én macht én beleid, Vlaanderen niet te verslaan is. Hij biedt een wapenstilstand aan, dien de Vlamingen aanvaarden en die, tot de vrede van Athis gesloten wordt (1305), blijft bestaan.


Originele postkaart (uit het Archief Jan de Beule)

Geen twee maanden na ’t uitbreken van dien oorlog, behaalt het Vlaamsche leger bij Kortrijk reeds een overwinning waarvan Funck-Brentano, een Frans geschiedschrijver getuigt, dat die veldslag een der belangrijkste gebeurtenissen is uit de Middeleeuwen, zowel op ’t gebied der politieke en sociale, als der militaire geschiedenis. Het is dus zeer waarschijnlijk dat het graafschap Vlaanderen een uitstekend leger en bekwame militaire aanvoerders bezat, want in enkele weken wordt een ‘landverdediging’ niet geïmproviseerd!

Welnu het verhaal van dezen slag, zoals het in onze nationale schoolboeken te vinden is en ook in onze wetenschappelijke publicaties, verwekt geenszins den in indruk dat de Vlaamse strijders en hun aanvoerders, op militair-strategisch- en tactisch gebied de meerderen of zelfs de gelijken waren van hun Franse tegenstrevers. Integendeel, met een niet te verklaren ijver, worden alle mogelijke bijkomstige omstandigheden naar voor gebracht en onderlijnd, met het doel er door te verklaren, hoe het mogelijk is geweest dat doel er door te verklaren, hoe het mogelijk geweest is dat haastig bijeengetrommelde benden van Vlaamse boeren en ambachtslieden het machtige schitterende Franse ridderleger hebben kunnen verslaan. Zo laat men den Fransen veldheer uit ridder-hoogmoed en trots, zijn eigen voetknechten verpletteren, de ridders zelf laat men verzinken in ‘beemden’ en moerassen en beken, zo niet in putten met wijmen overdekt en als enige militaire contributie der Vlaamse strijders tot de overwinning blijft dan het gewetensvol ‘ doodslaan’ der verzopen Franse ruiters, met de vreselijke ‘ Goedendags’.

oud document over de Guldensporenslag (Uit het Archief Jan de Beule)

In de meeste schoolboeken resumeert de Guldensporenslag den ganse oorlog 1302-1304; in sommige wordt gewag gemaakt van den slag op den Pevelenberg. Dan heet het dat de Franse Philippe uitriep: “ Het regent Vlamingen!” en daardoor wordt den indruk verwekt dat de massa, de overmacht dur weeral geen loyale en strikt militaire prestatie, dien keer ook het Vlaamse leger toegelaten heeft stand te houden.

Dat het noodzakelijk is dergelijke schandalige en zelf bevlekkende geschiedenis leerling uit te roeien heeft geen betoog. Dit is bijzonder noodzakelijk wat den Guldensporenslag betreft, daar die gebeurtenis in de schoolboeken voor den lageren graad als enig hoogtepunt van Vlaanderens’ macht wordt behouden en geleerd, en dienvolgers, in grote mate de substantie levert bij de vorming van het ere- en rasbewustzijn onzer volksjeugd. Het is al erg genoeg, dat drie eeuwen roemrijke Vlaamse geschiedenis en traditie van de jaren 900-1200 niet tot hun recht komen, over liever helemaal overzien worden bij het geschiedkundig onderwijs der jeugd. Hoe kan er op school nationale fierheid of eerbied voor de daad der vaderen gewekt worden, als ook de grote overwinning op Groeninghe wordt voorgesteld als een gelukkig toeval of erger nog, als een onverhoopt meeslaan van een paar primitieve krijslisten!

originele tekening (Uit het Archief Jan de Beule)

Et nunc erudimini : laat u eens beleren door volgende uittreksels uit schoolboeken over de ergheid van ’t geval: ‘Het handboek voor Belgische geschiedenis door Rondou en Mignon ( voor de 2e graad) vertelt onder den titel ‘Een beroemde veldslag, Groeninghe 1302’, wat volgt: “Op 11juli 1302 stormden de Franse ruiters met geweld de Vlaamse voetgangers; maar hun paarden zonken in den moerassigen grond en de ruiters werden door de ‘Goedendags’ van de Vlamingen afgemaakt.”.

In de beknopte geschiedenis van België voor de lagere scholen door Godfried Kurth (Gent, Siffer – 1930) lezen wij: “De 10.000 boogschutters die aan de spits van het Franse leger stonden, begonnen de aanval; hij was zoo geweldig dat de Vlaamse boogschutters, in wanorde naar het gros van hun leger terugweken en krachtig achtervolgd door den vijand die de beek overstak.

Originele postkaart Groeningepoort in Kortrijk (Uit het Archief Jan de Beule)

“Dan wilden de Franse ridders, uit vrees, dat die gemene voetknechten, welke ze verachtten, de eer der overwinning zouden hebben, te paard op de Vlamingen instormen. Robrecht van Artois war onvoorzichtig genoeg aan hun gevraag toe te geven en met donderende stem beval hij aan de boogschutters ( er zijn er 10.000 AUB!) achteruit te wijken. Maar zij hadden den tijd niet meer. Gelijk een rukwind stormt de ruiterij der eerste linie vooruit, vertrappelt onder de paardenhoeven de boogschutters van hun eigen leger stort het Vlaamse voetvolk op het lijf. Onze wakkere gemeentemannen hielden stand; met hun krachtige goedendags doorstaken ze de paarden en sloegen zonder moeite de ridders dood die in het moeras waren neergezakt. Onbeweeglijk, onoverwinbaar, te midden der schromelijk wanorde van het Franse leger sloegen de Vlamingen de slachtoffers die onder hun goedendag kwamen, zonder pozen neer, stonden zo stevig als een muur, waartegen de onstuimige vijandelijke ruiterij zich doodreed, de beek en de moerassen schenen de verdedigers van den vadergrond te helpen.”.

In het schoolboek door R.C. Van Mieghem, katonaal schoolopziener, opgesteld, komt weer ’t zelfde tot uiting: < De Fransen stormden vooruit! In de moerassen van de beek zakten paarden en de ruiters bleven alzo steken. Weldra liepen de achtersten over degen die ingezakt waren. Maar nu stormden de Vlamingen vooruit en sloegen met hun knotsen de ruiters van hun paarden. Het was een bloedige slag.>

originele postkaart Guldensporenslag (Uit het Archief Jan de Beule)

Zo zijn er tientallen verhalen van den Guldensporenslag te vinden, de ene krasser en bedroevender dan de andere, en niet in de leerboeken alleen… ook in de meeste wetenschappelijk bedoelde uitgaven, heerst dezelfde toon! Ten bewijze deze aanhaling nog uit Professor Geyl’s <geschiedenis van den Nederlandse stam>: < De Vlamingen hebben nog ruiters, noch geweren. Hun gelederen vormen op de vlakte van Groeninge een egaal grauwe massa van voetvolk met lansen, knotsen en messen gewapend… De Franse ridders stormen in hun verderf. Sloten en greppels brengen verwarring in hun rangen. De Vlamingen staan pal met hun pieken. De beslissing is gevallen, maar anders dan Robert van Artois verwachtte . en onder de verbijsterde ridders, die naar feodale gewoonte op kwartier rekenen, richten nu de Vlamingen een ware slachting aan… >

Deze aanhalingen en uittreksels van verhalen over de Guldensporenslag, bewijzen klaar dat de ware versie van deze gebeurtenis niet gekend  is, of in elk geval vooringenomen wijze wordt achteruit gesteld. Prof. Pirenne heeft van in 1890 deze toestanden vastgesteld en onder de titel: “La Version Flamande et La Version Francaise de la Bataille de Courtrai” een studie gepubliceerd, waarin hij bewijst dat een legende ontstaan en gevoed door Franse kroniekschrijvers , zeer vroeg, het  waarachtig verhaal van de Slag, zoals het bij de Vlaamse kroniekschrijvers te lezen was . de legende schreef de nederlaag der Fransen toe, aan het feit dat de Vlamingen valselijk en verraderlijk grachten en putten hadden gemaakt waarin de aanstormende ruiters vielen en verongelukken. “Et cil ennemi firent fossés et fossés faussement en traison.” Die legende, zo verklaart Prof. Pirenne, dankte haar verbreiding aan het bestaan van een ridderlijke caste over gans West-Europa. Deze geestes – en ideaalgenoten der Franse ridderschap in Duitsland, in Italie en zelfs in Vlaanderen en Brabant, hebben de voorkeur gegeven aan een lezing die haar de eer liet, op het slagveld niet door de wapens, maar enkel door list en verraad verslagen te zijn geweest.

Originele postkaart: De Boel-Toren te Kortrijk (Uit het Archief Jan de Beule)

De Franse geschiedschrijving in de moderne tijd heeft zich in ’t chauvinisme, daartegen ingespannen om die legende als waarheid te doen aanvaarden. Het is aan de taak, de waarheid omtrent de Guldensporenslag op te sporen en vast te leggen, dat de reeds genoemde Baron Maurits de Maere 30 jaar van zijn werkzaam leven heeft besteed en bij de studie heeft hij niets onverlet gelaten, noch het onderzoek der kronieken, noch de gegevens der topografie en hypsometrie, noch de vraagstukken van militairen aard, die door de grote gebeurtenis gesteld werden. Aldus heeft hij aan Vlaanderen een onschatbare dienst bewezen, want zijn bevindingen en conclusies bevestigen onweerlegbaar de faam en de ere die onze Vaderen in de feodale riddertijd op krijgskundig gebied genoten. Misschien was de waardering der voorbije eeuw van “progrès civique en pacifisme” bitter klein ten overslaan van den strijd- en weerbaarheidsgeest van ’t voorgeslacht en kon daarom een verminking van de Sporenzege geen protest of terechtzitting wekken. Wij echter die de Edda-spreuk belijden:

Bezit sterft

Sibben sterven

Gij sterft als zij.

Een ding weet ik

Dat eeuwig leeft

Der doden

Dadenroem.


 

Wij kennen andere plichten en zorgen, ten overstaan der roemrijke daden van het voorgeslacht, wij verschaffen eerherstel.

Originele tekening uit de jubileumdoos ter gelegenheid van 700 jaar Guldensporenslag (Uit het Archief Jan de Beule) 

De “Vesting” Vlaanderen, Het leger, De bewapening

Vooraleer den Guldensporenslag en alleen deze verhalen, is het nodig even toch het algeheel kader der oorlogsoperaties te schetsen. De aanleidingen tot de oorlog 1302-1304, zowel de verrel, als de onmiddellijke , moeten hier buiten bespreking blijven. Vanaf de Brugse Metten (18 mei 1302) worden in Frankrijk en in Vlaanderen legers gelicht, die 27 maanden lang elkaar zullen trachten te vernietigen, te land en ter zee. Door honderden kleine operaties, belegeringen, concentraties opmarsen en invallen voorbereid, kwamen twee legermachten tot volgende grote botsing: op ’t Groeningenveld, te Arkes, onder St.-Omaars, onder Doornik, op den Pevelenberg, in Zeeland en bij Zierikzee. Deze plaatsen liggen om zeggen allemaal tegenover of juist binnen Vlaanderens grenzen. Deze grenzen waren versterkt en zodanig geschikt, dat alleen 6 invalswegen toegang tot het binnenland verstrekten. Als versterkings-en vestigingslinie of wal, dienden waterwegen: de Schelde en  de Dender in het Oosten, de Scarpe gedubbeld door de Leie en de Boulenrien in het Zuiden, de Aa, een deel van den IJzer en de Colme in het Westen. Door behandig aan elkaar verbinden die waterlopen en de watergebieden die ze omringden, hadden de Vlaamse Graven de Nieuwen Dijk geschapen, die het graafschap ten Westen en Zuid-Westen, zoals de Maere het zegt, als met een Chinese muur beschermden. Het versperren der invalswegen liet toe dat de mobilisatie van het leger zich zonder fatale verrassingen voltrok. Alleen een sterk vijandelijk invalsleger, kon stormende hand de doorgang afdwingen, maar vooraleer dit daartoe in staat was, stond ook reeds een Vlaams leger aangetreden om de strijd aan te binden.

De mobilisatie van het leger voltrok zich in de 5 grote steden: Gent, Brugge, Ieper, Rijsel en Dowaai. Ieder deze steden was het middelpunt van een gewest of een militairenkreits en was verplicht ingevolge de Keure door de Graaf verleend, als leenroerige tegenprestatie, diens krijgsoproep te beantwoorden. Daar iedereen dienstplichtig was van 15 tot 60 jaar, staat het buiten twijfel dat het Graafschap Vlaanderen een leger van 200.000 man, waarvan de helft strijdbare en de andere helft als een soort landstorm dienst deed, op de been kon brengen. Het leger dat in Kortrijk streed werd bijna uitsluitend door Brugge en het Brugse Vrije geleverd. Vermeerderd door enige Gentenaars, Oost-Vlamingen, Oosterheren, Zeelanders, Ieperlingen en enkele West-Vlaamse ridders telde het misschien 21.000 man. En het Vlaamse leger was er ruiterij (ridders en rijke spoorters), zwaar en licht voetvolk en zulke troepen die wij nu pioniers en artillerie zouden noemen. De ganse ruiterij was gepantserd en gewapend gelijk de andere Westerse ridders.

Originele postkaart 11 juli viering te Gent (uit het Archief Jan de Beule)

Originele postkaart van het Gravensteen te Gent (uit het Archief Jan de Beule)

De zware infanterie droeg een ijzeren helm op het hoofd en een maliënkolder die hals, schouders, armen en gans het lichaam beschermde. De maliënkolder bestond uit in elkaar geweven ijzeren ringetjes. Bovenop droeg iedere man een gekleurde rok. Benen en voeten waren ook met ijzer en lederstukken bedekt. Als verdedigingswapen droeg de krijger een schild en een lange, zware piek. Aan de gordel hing een kort zwaard of bijl. De kruisboog was het voornaamste wapen van het lichte voetvolk dat daarenboven uitgerust was als het zware voetvolk met schild, zwaard of bijl en maliënkolder. De boog schoot op 150m. en de schicht kon op 100m. een ledemaat verbrijzelen. De koker bevatte 17 schichten en door oefening kon de schutter met een kruisboog die na ieder schot opnieuw moest gespannen worden, 3 schichten of karelen per minuut af schieten, 10 a 12 pijlen met een gewone boog. Men schoot geknield achter het schild weggedoken. In het artilleriepark bezat men katapulten en anderen “engienen” die door de Vlaamse kroniekschrijvers: blide, springale en katte genoemd worden. Al deze stukken werden aangewend bij de belegering van vestingen, op de schepen om de hoge uitkijktorens en gevechtsposten van voor- en achtersteven te bestoken en zelfs op het slagveld tegen de vijandelijke opgestelde linies. Bovendien vervoerd de tros op wagens tenten, reserve wapens en voorraad alaam om loopgraven te maken en bruggen te slaan, smidsen, keukens enzovoort met al het gespecialiseerd personeel dat er bij behoord. Niet alleen het leger, ook de militaire vloot was goed uitgerust. De zware “cogghen” bewogen door zeil en zagen er voor en achter uit als hoge versterkte kastelen met schietgaten en rondelen. Op het dek waren zware oorlogstuigen “springalen” opgericht, terwijl de schutters opgesteld zaten in de masten. De bemanning heeft zelfs haar muziekkorps. Een kroniekschrijver kon niet nalaten zijn bewondering over de zilveren trompen (hoornen) der Bruggelingen te uiten:

Fils de bourgeois s’y vont targent

O, eus ont les trompes d’argent

Pamflet van een feestelijke herdenking van de Guldensporenslag 11 juli 1909 (Uit het Archief Jan de Beule)

De Vlaamse Post 11 juli 1915 (Uit het Archief Jan de Beule)

Waarom gebeurde de eerste botsing bij Kortrijk?

Toen het Frans garnizoen op 18 mei 1302 in de Brugse Metten vernietigd werd, kon de gouverneur Jacques de Chatillon met moeite uit Brugge ontkomen met Pierre Flotte, zijn kanselier en allereerst werd koning Philippe verwittigd. Er werd besloten te redden wat kon en vasten voet te houden in het Graafschap om niet verplicht te zijn, een doorgang over den Nieuwen Dijk af te dwingen. ’s Konings luitenants werden daarom belast met het beleggen en versterken van de strategische vesting punten in het Zuiden en het Westen: Kortrijk, Rijsel, Kassel en Wijnendale. Chatillon en later de heer van Lens, stelden het Kortrijks Kasteel in staat van verdediging , de heer van Haveskerke bezette en bevoorraadde Kassel, Pierre Flotte Rijsel en de Schouteet van Torhout, Wijnendale. De Vlamingen van hun kant poogde deze vestingen weer in handen te krijgen en de Fransen eruit te verjagen. Nadat de gemeente Brugge Gwijde van Namen en Willem van Gullik, zoon en kleinzoon van de Graaf, in triomf hadden ontvangen, werd spoedig met eenheden uit de kuststreek, het Brugse vrije en van Brugge zelf, een legermacht samengesteld. Willem van Gullik trok op om met een gedeelte dezer troepen Wijnendale te belegeren. Zijn oom Gwijde kwam hem spoedig vervangen en na drie weken was Wijnendale ingenomen en de Schouteet van Torhout werd onthoofd als verrader. Intussen had Willem van Gullik, Slijpe, Veurne, St. Winoksbergen, Broekburg en Kassel stad veroverd en de 9de juni sloeg hij het beleg voor de vesting Kassel. Na Wijnendale viel Gwijde van Namen Ieper aan, dat zich spoedig overgaf en toen kwam het Kortrijks Kasteel aan de beurt.

Eind juni lag hij voor Kortrijk als de berichten binnenliepen dat de concentratie van het Frans leger voltooid was en dat de 30ste juni een Frans leger onder bevel van de bekwaamste Franse veldheer, Robert d’Artois, Arras verlaten had. Gwijde liet zijn neef Willem naar Kortrijk komen met zijn afdelingen. Een kleine legermacht bleef Kassel in bedwang houden, ook de verdediging van het Swijn werd georganiseerd en versterkt en de overige beschikbare troepen werden in Kortrijk verzameld. Op 1 juli kwam Robert d’Artois te Seclin, de 2de te Marquette, de 8ste juli sloeg hij zijn tenten op rond de Pottelberg op 2km ten Zuidwesten van de stad Kortrijk. Deze mars richting was logisch en bedoeld   als ontzetting van het beleg door het Vlaamse leger van het Kortrijkse Kasteel. Sedert 22 mei was het kasteel bezet door Jean de Lens met 20 ridders en 200 voetknechten-boogschutters. Met 3 katapulten schoten de Vlamingen de vesting en haar bezetting antwoordde door beschieting van de stad met vuurpijlen en ontplofte brandstoffen die verschillende wijken van de stad teisterden. Overigens wist d’Artois ook dat de hoofdmacht van het Vlaamse leger bij Kortrijk gelegen was en het viel hem mee dat hij het zo spoedig en in voor hem zo gunstige omstandigheden gezien zijn talrijker leger, de strijd kon aangaan.

Originele postkaart (Uit het Archief Jan de Beule)

Vooraleer nu het slagveld bij Kortrijk: de opstelling van beide legers, hun tactiek en de slag zelve beschrijven, moet er op gewezen worden dat de conclusies van baron de Maere het relaas van de Vlaamse kroniekschrijver Lodewijk van Velthem, tijdgenoot van het gebeuren, opvallend juist hebben bevonden. Deze brabantse geestelijke heeft veel gereisd, veel gezien en heeft ongetwijfeld een vervolg willen schrijven op de Rijmkroniek van Jacob van Maerlandt. Zijn kroniek verhaalt de gebeurtenissen tot in 1316 en hij wijdt niet minder dan 1000 verzen aan de Guldensporenslag. Voor het verhalen van wat tijdens zijn leven gebeurde, gaat hij voort op de oor- en ooggetuigen of beroept zich op eigen tegenwoordigheid. Hij getuigt van zichzelf:

Maar ic wil dichten na dat gesciede

No om doet no oec om miede

Bij van Velthem lezen wij over de belegering van Winendaele het volgende:

In desen tide dat dit gesciede

So hadde vergadert vele liede

Die grave van Artoys in Vrancrike

Om te comen geweldlike.

Op Vlaenderen en dat onder te doene

Ende binnen desen selven ocsoene

Voer myn her Gi te Winendaele

Daer te belegen menigen Wale

Dire van ’s Conic halven inslagen

Ende doen si dit van binnen sagen

Dattre van Brugge op hem quamen

Gingense te hant al omme cramen

Ende hem te stormen waerd gereiden

Ende leiden vaste in die hameiden (weiden)

Daer was geworpen menig steen

Wel drie weken al achter een

Was daer voren dus gelegen.

 

Over de opdracht van Gwijde van Willem van Gullik hem te vervoegen te Kortrijk, schrijft van Velthem:

Ende daer vaard men her Gi jegen

Ende bit U dat gi hem comt in staden

Dies werd Guulke sciere beraden

Ende liet den Casteel daer varen

Dies die van binnen blide waren

Dus voer Guulke te Cortrike waerd

Ende Peter die Koninc met snelre vaert.

Originele postkaart Guldensporenslag (uit het Archief jan de Beule)

Ook de belegering van het Kortrijks Kasteel krijgt vermelding vanwege de scrupuleuze kroniekschrijvers:

Daer lagen Walen in den casteel

Dese waren voorsien van allen dingen

Dies men daer conde volbrengen

Van eten van drinken van engienen

 

Si scoten ut ende maecten brand

Ende verbrenden met ere acort

’t Schoenste ende ’t beste van der port (stad)

Ane die marct een groet vlac

Si scoten vier

Die clincten als gespannen snaren.

Het plan of de tactiek der Vlaamse aanvoerders:

Gwijde van Namen, bij afwezigheid van de Graaf, Gwijde van Dampierre zijn vader en zdie zijn oudste zoon en erfgenaam Robrecht van Bethune, voerde het bevel over het Vlaamse leger, samen met Willem van Gullik, zoon van Maria. Gwijde van Dampierre zijn dochter en van Graaf Willem van Gullik (J1ûlich, stad tussen Aken en Keulen).

Gwijde van Namen, bijgenaamd “van Richebourg” werd op 23 jarige leeftijd door Edward I, Koning van Engeland tot ridder geslagen (1298). Alhoewel oom van Willem, was hij slechts een paar jaar ouder want zijn moeder was Gwijde van Dampierre’s tweede vrouw. Vanaf zijn prilste jeugd was hij vertrouwd met de krijgsvoering. Ook Willem van Gullik, alhoewel bestemd tot de geestelijke stand was een geboren krijgsman “Was Pieter de Koninck een volksleider, Willem was de volk vereerde die het gemeen leidde door de glans van zijn hoge afkomst en zijn verstandige welsprekendheid, niet minder door zijn jeugdige schoonheid en slankheid van leden”. Deze beide jeugdige prinsen werden beraden en terzijde gestaan door de Zeeuwse edelman Jan van Renesse. Hij was een van de dapperste ridders van zijn tijd en zelfs zijn vijanden loofden zijn hoofsheid.

Dit driemanschap dat ervaring aan jeugdigen vernieuwingsgeest en doortastenheid paarde, heeft het veldplan ontworpen da de Vlamingen de zege bracht. Zij kenden de kracht en de overmacht van het Franse leger, maar realiseerden ook ten volle wat zij zelf vermochten. Meer dan 7000 zwaar gepantserde en bewapende ridders (schildknapen en ruiters) vormden de Franse hoofdmacht. Daar bovendien een leger van 10.000 Italiaanse huurlingen, boogschutters en 30.000 man van een militie die mee oprukten, de Franse legermacht was dubbel zo sterk als de Vlaamse, die maar 21.000 man telde, waarvan ongeveer 2.000 ruiters (ridders en poorters).

Er viel niet aan te denken de slag te leveren met aanwending van éénzelfde tactiek, dat de vijand zou verwachten. Dit zou hem gezien zijn grotere getalen van in begin al in zijn voordeel moet spelen. De kleine feodale gevechten van de Middeleeuwen waren niets anders geweest dan een verveelvoudiging van individuele botsingen tussen ridders. In een zekere zin uitgebreide harde en bloedige tornooien op leven en dood. Maar toen zich later infanterie eenheden zich bij de legers voegden hadden de ridders, als ruiterijkorps het voetvolk met succes leren bevechten . in tweed gelederen geschaard werd het ruiterijkorps in volle charge tegen de vijandelijke opstelling geworpen. Die schok van galopperende paarden zorgde dat er niet veel meer van de stelling overbleef.

Originele postkaart uit jubileumdoos naar aanleiding van 700 jaar Guldensporenslag, tekening is gemaakt door Korbo. (Uit het Archief Jan de Beule)

Het was voldoende dat een tweede en zo nodig een derde charge van ruiterijkorpsen in tweede en derde lijn opgesteld, dan volgden, om een heel de infanteriemassa uiteen te rukken en te vernielen. De ruiterij was bovendien niet alleen het aanvalswapen bij uitstek, het was ook een omsingelingswapen. Het liet, dankzij nogmaals de snelheid der paarden, tactische manoeuvres toe, die tezelfdertijd voor en achter en ter zijde, de door elkaar gestormde infanterie insloten en haar alle bewegings- en verweermogelijkheden ontnamen.

De Vlaamse aanvoerders, die het aanvals- en omsingelingspotentieel der ruiterij kenden, hebben een eigen tactiek ontworpen, georganiseerd en uitgewerkt, die deze der ruiterij lijk ze toen algemeen, maar bijzonder schitterend door het Franse leger kon uitgevoerd worden, volledig uitschakelde en ontzenuwde. Ook in dien oorlog, ook in de Vlaamse Franse oorlog 1302-1304, was Frankrijk “En retard d’une guerre”. In zijn “Principes de la guerre à travers les âges” bevestigt Generaal R. Van Overstraeten zulks onomwonden: “De gemeentenaren welke dezelfde wapens gebruikten als de Grieken en de Macedoniërs, ze hadden instinctief de phalanx der ouden aangenomen en zoals de phalanx van Alexander, de ongeordende ruiterijbenden der Perzen had overwonnen, zo wisten de gelederen der gemeenten de aanvallen der feodale ruiterij in bedwang te houden. Deze tactiek leverde haar eerste bewijzen in een schitterende overwinning op den Groeninghekouter, wat haar den naam bezorgde van Vlaamse tactiek”. Een militaire criticus, Generaal Renard, voegde er aan toe: “ De slag van Groeninghe opende een nieuwe baan, welke de andere mogendheden dra insloegen; eers beïnvloedde hij zichtbaar de Engelse en daarna de Franse krijgskunst en gaf aan de gevechten van den Honderdjarigen Oorlog het bijzonder kenmerk van een ruiterij die van ’t paard stijgt om tegen voetvolk op te treden.”.

De Vlaamse tactiek nu, die Gwijde van Namen met Willem van Gullik, dankzij Jan van Renesse’s wijze en geniale raad uitstippelde, voorzag niet alleen een volstrekt aangepast verweer tegen de offensieve bedoelingen van de vijand maar bevatte tevens de nodige offensieve gegevens om voor ’t eigen leger de overwinning en de volkomen vernietiging van ’t Franse leger te bevechten.

 

Van uit een krijgskundig (strategisch) standpunt bezien mag de Guldensporenslag, wat leiding, bewapening der soldaten, tactische manoeuvreren en moreel der troepen betreft een model heten. Dit moge hier nu blijken. De hoofdgedachten zijn: 1) Door versterking van het sterkte wapen dat de Vlamingen bezitten, namelijk de infanterie, met er de ridders en ruiters “ te voete” dus zonder hun paarden bij te voegen, een enkele diepe, stevige slagorde opstellen die den ruiterijaanval behoorlijk weerstand biedt; 2) De flanken dekken zodanig dat omsingeling uitgesloten is; 3) Reserves opstellen die de doorgebroken ruiterij-eskadrons opvangen en vernietigen.

Originele tekening uit jubileumdoos naar aanleiding van 700 jaar Guldensporenslag (uit het Archief Jan de Beule)

1.       De slagorde

Het opstellen van een stevige, diepe slagorde, wordt bereikt door aanwending van een uiterst geschikt terrein en door het nemen van een revolutionair, maar schitterend en doelmatig besluit. Het Kasteel dat de Vlamingen belegerden, ligt ten Oosten der Stad Kortrijk. Langs de Oostzijde der stad, langsheen het kasteel naar het Noorden, naar de Leie toe, ligt de stadswal. Vandaar strekt zich een vlakte uit van enkele hectaren die begrensd is op ongeveer 1 km van de stadswal naar het oosten toe door een grote gracht. Op die 1.000 meter ( feitelijk 935m) wordt de hoofdmacht der Vlamingen ( 3korpsen van ongeveer 5.000man elk) geschaard op 15rijen, dus 1 man per meter. Besloten wordt, dat ridders en poorters, aanvoerders inbegrepen, allen te voet zullen plaats nemen in ’t gelid. Zo , met de rechts de krijgers van Brugge tegen de stadswal, met in ’t midden die van ’t Brugse Vrije en links tegen de gracht, de Oost-Vlamingen, Gentenaren, Oosterheren enz., vormen de Vlaamse linies een korte, moreel en stoffelijke onvergelijkbaar stevige slagorde.

Krantenknipsel uit het Algemeen Nieuws - 11 juli 1940 (Uit het Archief jan de Beule)

2. Dekking der vleugels (flanken)

De rechtervleugel is door de stadswal en muur tegen omsingeling gevrijwaard. De gracht op den linkervleugel wordt uitgediept en verbreed en achter de 15rijen, tussen de gracht en het klooster dat meer noordwaarts naar ’t Leiedal toe staat, worden de troswagens neven elkaar gerangschikt: een onoverkomelijke hindernis tegen elke omsingeling.

 

3.       De Reserven

Achter ieder korps van de hoofdslagorde staat op korte afstand (150m) een mobiele reserve van 1.200man. Deze hebben de opdracht, de doorgebroken ruiters op ’t ogenblik dat zij door hun aanval doorheen de slagorde, hun snelheid, dus hun grootste offensieve stootkracht hebben ingeboet, zelf aan te vallen vooraleer zij hun paarden weer in galop hebben kunnen brengen en ze te vernietigen. Achter die drie reservekorpsen wordt bovendien nog een tweede reservelinie opgesteld, bestaande uit een korps van 2.000 man onder de leiding van Jan van Renesse zelf.

 

Eindelijk krijgt het Ieperse korps ( een keurkorps van 1.200 met zwarte rokken boven hun maliënkolders uitgedoste krijgers) de eervolle opdracht de Oostelijke stadspoorten en die van ’t kasteel te bezetten om een uitval poging te beletten in de rug van ’t Vlaamse leger.

Zo staat de Vlaamse legermacht, opgesteld volgens ’t geniale krijgsplan van zijn aanvoerders, doelmatig bewapend met zware pieken, die de stormende paarden waar ’t kon zullen opvangen, onvervaard en door het volk verbonden gebaar van zijn in de gelederen zelf meestrijdende prinsen ridders geëxalteerd, en wacht den vijand af. Overmoedig sterk is het vertrouwen der Vlaamse soldaten in de zege, want elk weet wat van hem verwacht wordt en elk voelt zich bekwaam het te volbrengen. Immers, de aanvoerders hebben hun mannen aangesproken.

 

Laten wij horen hoe van Velthem dat verhaalt:

De Vlaminigen lagen tessen tide

Op een plaetse daer besiden

Vaste ineen en de al te voet

Met pieken starc ende wel behoet

Ende geillich genoeg te stride.

originele postkaart de Guldensporenslag (Uit het Archief Jan de Beule)

Eerst spreekt de opperbevelhebber Gwijde van Namen.

 

Her Gi vermaende daer sine scaren

Dat si hem niet souden vervaeren

Onderset u vast ende stercke

Die sonne dect her met ene swerke

Wi ne hebben geen noet van der sonnen

Ic sie den wijck te voren gewonnen

 

 

Opdat gis eker ende vaste staet

Ende gi grote slage slaet

Edele Vlaminge siet voor u selve

Si sellen komen op ons welven

Met ene vreeselike gemoete

Vaste staet aen uwe voete

God sal ons helpen ende staen in baten

I’n Wills hem heden niet verlaten.

 

Dan komt Willem van Gullik aan de beurt:

 

Guelke sine vane ontwint

Hij troest sijn volc daar ontzint

Daer stonden by clerke ende papen

Ende van Gent stoute cnapen

Een canone van Maestrecht

Stond bi hem als en knecht.

 

Eindelijk laat van Velthem Renesse aan ’t woord om het strijdplan uiteen te zetten aan de Vlaamse krijgers:

 

Myn here Jan ven Renesse

Las den sinen oec een lesse

Ende sijt nu niet vervart

Bodelt al man ende pard

Vlaanderen ende Leu es ons gecri

Alsi slaen op myn Her Ghy

Sele wi van achter op hem dringen

Het blijft al hier, dat si brengen.

 

Het is duidelijk: de Tempelier-ridder boen hem voert de Brugse militie aan op de recntervleugel en van Gullik heeft het bevel over de linkervleugel, maar Gwijde van Namen, die in het midden staat bij het Brugse Vrije, is de algemene aanvoerder van de hele slagorde en waar Renesse zegt: “Alsi slaen op myn Her Ghy” bedoelt hij daarmee: als de Fransen het front de eerste rij aanvallen en doorbreken, zullen wij vanuit onze reservestelling oprukken en de doorgebroken ruiters zo aanvallen en op een gunstig ogenblik kunnen wij ze verpletteren

Originele postkaart van gedenkteken op Groeninge te kortrijk (Uit het Archief Jan de Beule)

Het Franse leger en de Franse tactiek

De koningstafel van het Frnase leger was de in het harnas vergrijsde Raoul de Nesles. Maar Johanna van Naverre, de Franse Koningin, die bijzonder gebeten was op de Vlamingen sinds de Weelde en de schoonheid der Brugse vrouwen die haar bij haar intocht te Brugge de loef hadden afgestoken, wist van de Koning te bekomen dat haar oom de 52 jarige roemrijke veldheer Robert d’Artois aan het hoof van het Franse leger zou gesteld worden. De graaf van Artesië had in 1298 bij Bulscamp het Vlaamse leger verslagen en in tal van oorlogen had hij grote krijgservaring opgedaan. Bovendien was hij vertrouwd met de streek rond Kortrijk. Hij had er immers van zijn tweede tot zijn twintigste jaar geleefd op het kasteel bij vrouwe Beatrix, zijn tante, die wedue was van Willem van Dampierre. In geen geval kan van gezegd worden dat hij de grondgesteltenis van de Groeningevlakte, die aan het kasteel paalde, niet zou gekend hebben.

Hij voerde een schitterend leger naar Kortrijk. Er bestond hoegenaamd geen twijfel dat zijn ruiterijkorps 7.600 man sterk was, allemaal heren van hoge Adel, ridders, schildknapen en gevolg. Daarbij beschikte hij zoals gezegd over 10.000 Italiaanse boogschutters en 30.000 man gemeentemilitie.

De 9de en de 10de juli valt heij met enkele afdelingen de Zuid en West poorten van de stad Kortrijk aan, maar de 11de juli laat hij op aanduiding van de bezetting van het kasteel, zijn leger naar het Oosten oprukken en komt zich voor de Vlaamse Slagorde scharen. Zijn ruiterij stelt d’Artois op drie lijnen op.

Direct voor de eerste ruiterijlijn, worden de 10.000 boogschutters op pas 150m van de Vlaamse slagorde opgesteld.

Van Velthem verhaalt dat Godfried van Brabant die aan de zijde van de Franse streed, voor dat die schikking genomen werd, een verkenningstocht had ondernomen en dat hij bij zijn terugkeer aan d’Artois meldt:

 

Si staen te voet op eene riviere

Van achter mag m’er niet in raken

Eene banniere zag ik er blaken

Den Lupert van sabel gebatelgeert

In ’t veld goude geordineert

De ridder die draagt den Lupert

Dat is diegene dat seg ic die

Daar ic mi meest af ontzie

Het is mien her Jan van Renesse

In die wereld en esser niet sesse

Omgaan wijt en breet

Die bet van oorloge weet.

Krantenknipsel uit de Standaard van 11 juli 1938 (Uit het Archief jan de Beule)

Het besluit van Godfried was, naar van Velthem het beschrijft, van te wachten:

 

Hi riet doe Artoyse, opdat hem dochte

Nuttelijc dat hi nie ne vochte

Ende beiden soude metten stride

Tote’s anderdages.

 

Maar d’Artois kon dien raad niet aanvaarden en van Velthem laat hem zeggen waarom:

 

Artoys balch hem deser word,

Ende was er sere om testord,

Dat hi hem desen raet vorleideµ

Hi verhief hem in ’t gereide

Ende sprac: “na dien dat gi u ontsiet,

Ic rade wel, Godeverd dat gi vliet

Ende gi sijt up uwe hoede!”

Dit sprac Artoys met overmoede,

“Ic belge mi dat gi dit doet

Wi sijn t’ors ende si te voet

Hondert orsse ende M. man

Dat ’s al eens, wat ontsiedi dan?

Drayt omme u ogen ende besiet!

Dit vrome volc faelgiert u niet

Ende hilt u noyt over ontsaecht

Mi heeft wonder dat gi dit vraecht

I’n wilde niet, Godevard dat si lagen

Vor ons gebonden en soudse jagen.

Die ginder over staen te voet

Ende daer met coelen minen moet!

 

Robert d’Artois rekent dus op de gekende, de beproefde sterkte en waarde van de ruiterij. Stoffelijk gezien heeft hij overschot van gelijk want paard en ruiter, gepantserd en geharnast, veroorzaken door hun gewicht en snelheid een schok die theoretisch slechts door 24 kloeke mannen van 90Kg kan opvangen en bedwongen worden. Hij is dus zeker dat zijn 7.600 ruiters op een gewoon slagveld minstens een 10maal groter aantal voetolk kunnen overwinnen. Hij ziet wel in dat de Vlamingen hier een buitengewoon geschikte terrein keuze hadden en goed beschermd zijn in de flanken, maar anderzijds is de numerieke verhouding zo in zijn voordeel en heeft hij bovendien nog heel veel schutters en voetvolk dat hij geen seconde aarzelt de aangeboden strijd van de Vlamingen te aanvaarden. Zoveel ridderschap leeft ook in hem dat hij liever, voor een zich flink werende tegenstander staat, dan voor een machteloze.

 

Den Vlaminge naecte veel vernoys

Hem mochte wel therte faelgieren

Als ’t al op hem quam pongieren

Met VII dusent orsse groet

 

Daarmee wordt de strijd onvermijdelijk en hij zal gestreden worden met de onverzettelijke overtuiging bij beide tegenstrevers den slag te zullen winnen.

De slag van Groeninge

Originele tekening uit jubileumdoos naar aanleiding van 700 jaar Guldensporenslag (Uit het Archief Jan de Beule)

De dag was volgens van Velthem kort van duur maar uiterst hevig.

 

Maar in veel cortere termine

Waren si alle gescoffiert

En hare bataelge gestoffiert

Dan gi wl stout vollike lesen

Een Paternoster

 

Den 11ste juli bij zonsondergang, heeft Gilles Lemisis, de abt van St.-Maartensabdij te Doornik, duizenden Franse gevluchte soldaten aldaar zien aankomen, die hun wapens tegen onderdak en brood verkochten. Om Doornik van uit Kortrijk (35km) te bereiken zijn 7 volle uren nodig, zodat het vertrekuur van de vluchtelingen op 13uur ten laatste te stellen is. Welnu de eerste eigelijke ruiterijcharche werd door d’Artois kort voor het middaguur bevolen. Voordien even na 11u, greep de ontmoeting tussen de Vlaamse en de Franse boogschutters plaats. Van Velthem vertelde dit aldus:

 

Het was de vreeselijkste begin

Dat noyt man met oogen sag

De pilen vlogen op gene dach

Dat men den Hemel cume van dien

Van Dickheden niet conde sien

Maer ’t Vlaemse heer dat er stond

Was nog gequetst nog gewond

Nochtan war si so doorscoten

Hare haelsberge en de harte sarcoten

Bokelare, targen, helmen scilden

Si jegen die scoten hilden

 

Dit is geenzins overdreven, want deskundigen hebben berekend dat er 12.000 pijlen en kareelen of stichten per minuut afgeschoten werden. Anderzijds was de defensieve bewapening der Vlaamse soldaten zo goed verzorgd, dat de beschieting geringe verliezen veroorzaakten. Na weinige minuten waren de pijlenkokers leeggeschoten en zegt van Velthem:

 

Doe de Vlaminge met grote roten

Hare schichte hadden gescoten

Doe sloegense haer pesen entwee

Ende deinsden achterwerd ten vrienden

 

Ook d’Artois trok zijn boogschutters achteruit, immers hun werk was gedaan en hij kon er toch niet aan denken die 10.000 huurlingen tegen de Vlaamse slagorde ten aanval te sturen. Alleen door ruiterijcharches kon hij pogen het door pieken en staven beschermde hoofdfront der Vlamingen te doorbreken. Om 11u 45 gaat de eerste rij van de Franse ruiterij ten aanval over. Links stormen de ruiters van de Burlas (400) op lichtere Zuid-Franse paarden. In het midden voert Renaud Trie ùmet Guy de Nesles, maarchalk van Frankrijk, bevel over 500 ruiters op sterke paarden gezeten en rechts stormt de “conincstavel” Roaul de Nesles met 600 ruiters.

 

Die irste scare van dese dan

Daarin waren IIII hondert man

Op ors geseten goed ende diere

Dit waren al soudiere

Men here van Beulaes die was7diese met ter hant cotlas

D’ander scare had myn her Gije

Van Nele en Renaut van Nie

Dese hadde tot V hondert platen

die alle op sterke orsse saten

die derde scare leide gelike

die Conincstavel van Vranckrike

hij hadder daer te siner dele

VI hondert wel opgesete

Pallieter 11 juli 1924 (Uit het Archief Jan de Beule)

De Franse chargeerden op twee rijen en de 1500 paarden komen in botsing met 2/3 van de Vlaamse slagorde. De Franse linkervleugel met de 400 lichte paarden van de Burlas, wordt door de stevige Brugse militie opgevangen en vernietigd, maar het midden van de slagorde, waar het Brugse Vrije staat, begeeft onder het geweld van de sterk gepantserde paarden van de Franse rechtervleugel. Rijen Vlamingen orden omvergeworpen en geveld, door de bres stormen de Franse tot achter de Vlaamse hoofdlijn met het inzicht er zich te hervormen, opnieuw snelheid te winnen en weer door de slagorde te stormen van achter naar voor. Maar hier wacht hen de grootste verassing. Pas zijn ze de 15 rijen door en in open veld aangekomen als ze zelf aangevallen worden door twee reservegroepen van de eerste reservelinie. Tevergeefs pogen de ruiters achter de hoofdslagorde veld te winnen naar de linkervleugel van het Vlaamse leger toe… zij worden ingesloten en opeengedrongen. Tevergeefs steigeren de paarden en pogen de ruiters met hun zwaarden de pijkeniers te treffen. Met de “staven” worden de ridders “ontorst”, de paarden worden geveld en in korte tijd is de hele Franse eerste lijn vernietigd.

Van Velthem heeft deze fase zeer duidelijk beschreven:

 

Elc Vlaming hadde des geloeft wel

Twee orsse op hem comende snel

Dus had Guulke grote porsse

Men reet op hem met menigen orsse

Die werd die wych starc ende groet

Daer horde men menig glavie cracken

Die van den Vrije lagen neder

Maer si vercoverden staphans weder

Ende was maer goet wat som sprac

Dat dit here dus achter trac

Want wat datter binnen quam

Bleef al doet!

Doe dit vernam mijnheer Jan van Rinessen

Doe trac hi over toter perssen

Van achter welvende met siere scaren

Die Fransoyse waren in varen

Doen si dus belopen waren

Van hare vianden tusschen twee strucken

Van dese lieden daer si liepen

Vlaanderen ende Leu dat si riepen.

Originele postkaart van het monument Groeninge te Kortrijk (Uit het Archief jan de Beule)

Op d’Artois die van de eerste stormloop niemand zag terugkeren, heeft de gebeurtenis verwarrend ingewerkt. Hij staat versteld, maar is gebonden door zijn tactiek; hij moet onverwijld ook de tweede lijn in stormloop tegen den Vlaamse linkervleugel loslaten. J. de Châtillon met 700 en de Normandiërs ook met 700 ruiters stormen op de Oost-Vlamingen en Gentenaren, terwijl d’ Artois, die zelf tot de tweede lijn behoort, met zijn Artesiërs, een 1000 man sterk keurkorps, op zware sterke paarden gezeten, rechteroever van de gracht aan de linkervleugel van de Vlaamse slagorde weg galoppeert met het doel deze al over de gracht in de rug aan te vallen.

 

Schrikkelijk is de botsing welke de ruiters van de Châtillon en Normandiërs de Vlaamse rangen toebrengen. Ook daar boren de Fransen door de slagorde maar worden in een verwoed gevecht gewikkeld en opeengedrongen achter de Vlaamse linies door de toegesprongen reserves. De vernietigingsslag is nog maar pas aan den gang als d’ Artois in wijden boog aan de gracht aankomt achter de slaglijn daar waar de troswagens zijn opgesteld van aan de gracht tot aan ’t nonnenklooster van Groeninghe. Daar aangekomen zegt van Velthem:

“ Een heer rym van Campenoys

Met een sterke stemme hi riep

Edel prinse die gracht is diep

Hout op heer! Hoet er U tegen!

Artoys sach ’t spel verloren

Nochtan sloec hi dore met sporen

Syn ors hadde zo grote cracht

Datt er vloec over die gracht.”

 

Immers d’ Artois berijdt “Morel”, een zwart paard

 “Het was XIIIJ voete lanc

Doe hi ’t met den breidele dwanc

Hij zat er op met grote dangiere

Enkele ridders en schildknapen van zijn gevolg zijn met d’ Artois medegesprongen over de gracht. Maar het gros der Artesiërs heeft gezwenkt en is teruggekeerd naar zijn vroegere stelling om vandaar een frontalen aanval te doen; d’ Artois zal den ‘ Lyoen’ den graaflijke standaard, die hij ziet wapperen in Renesses reserve, in een uiterste en symbolische krachtinspanning nog pogen te veroveren en dan wordt hij met zijn kleine schaar neergeveld.

Volk en Staat 11 juli 1943 (Uit het Archief Jan de Beule)

De Dag 11 juli 1942 (Uit het Archief jan de Beule)

De Artesiërs hebben zich nu bij de derde lijn gevoegd en samen ondernemen ze op heel ’t Vlaamse Front een aanval van ongehoorde hevigheid. De Vlaamse rechtervleugel die tot dan toe het minst bestormd werd, kan standhouden; maar de linkervleugel, die tweemaal achtereenvolgend bestormd werd, is deerlijk gehavend. De doorgebroken ruiters krijgen het gedaan van achte chargerend weer naar voren door te breken. Daar de reserves overal moesten optreden en als de charge dan een vierde maal door de slagorde stormt blijven van den hele linkervleugel amper nog 500 krijgers in ’t gelid. De rest is geweken of ligt geveld of gewond op ’t slagveld. Maar Jan van Renesse heeft intussen de reserves kunnen hervormen en terugtrekken van de rechtervleugel en de punten waar de slagorde standhield en met de meest ervaren krijgers uit al de groepen komt hij in een onweerstaanbare tegenaanval de ruiters bestormen en opeendringen.


 

En de hoec Poppenrode,

Dese hebben se mede ingetroden

Met groter cracht al dat si mogen.

Ende stave te sticken vlogen

So vreselijk was dit gemoet

’t Felt was el (anders) niet dan bloet.

Met den stave waren si gevelt.

Originele tekening uit jubileumdoos naar aanleiding van 700 jaar Guldensporenslag (Uit het Archief Jan de Beule)

Zo verhaalt van Velthem en hij gaat voort:

 Hoe die Vlamingen boven quamen

Hort noch meer van den wige,

En is geen tyd dat ic swige

Ghi hebt gehort van aguisse

Die gy ende guulke ende rinisse hadden

Nu ginc ’t hem wel in hant

Poprode, Bangelyn, Brobi, Ferrant

Dese dade’nt daerna best.

Ridderscap van Vlaenderen west en tie van Brugge en daeromtrent,

Ende daarna so die van Gent.

Dese en conde men niet volprisen.

Nu is ’t keerpunt van de slag gekomen. Het is pas 12.30u . d’ Artois is gesneuveld en de 6.500 ruiters die tot nu toe aanvielen zijn alles vernietigd en gedood.. Honderden paarden stormen gekwetst of zonder ruiter over ’t slagveld en verhogen de verwarring. De reserve met de St. Pol en Clermont, nog 1.000 ruiters, slaan op de vlucht en ook ’t Franse voetvolk.

 

Simpoel en tie grave van Bonen

Sloegen met sporen voor die gonen

Ende vloen al dat si conden vlien.

Tote dornike……en

Bie antoengen en tie Scelt

Die Vlamingen keerden weder haar straeten

Daer si d’anders hadden gelaten

Dore Cortrike buten te velde.

Tussen der Leie en de Scelde.

Daer ’t alvol lach doder liede

Daer ’t jammer af was dat gesciede.

 

Postkaart Jan Breydel en Pieter de Koninck (Uit het Archief Jan de Beule)

Postkaart Robrechth van Bethune (Uit het Archief jan de Beule)

Het Vlaamse leger yad gezegepraald! Een schitterende zege was het maar van Velthem weet pakkend te vertellen hoe het dien Vlamingen te moede was na den slag.


 

Die vlamingen bleven sere vermoyt,

si ne conden gezeggen wat hem vernoyt

d’een den andren luttel toesprac,

noch andere gevragen wat hem gevrac.

Haer wapen waren mes nat

Haer hande daer si die stave in hilden.

Al waer dat sake dat si wilden

 

Die toe luken ende wringen

Si ne hadden niet connen volbringen.

So styf waren se daer af

So vaste hadden si den staf.

Daer hadde die meninge so groeten dorst,

Dat hem die Mont ende tonge borst,

Ende ’t bloet hem uter nese ( uit de neus) spranc.

 

Dat hi weder van node dranc,

Si ne weten hem waarmede laven.

Ende stagen ende leven op here staven.

Dus bleven se daer Dacht en nacht,

Al gewapent en hebben gewacht,

Die dode liede met gewild ( gewillig gewaakt)

En ware oft si in haer comen,

Een soppe in wine hadden genomen.

Si waren na van honger doet

Ende van Ernam quam hem d’irste broet.

 

Dat ten kampe was gesent.

Men liep om spise daer omtrent;

Dus gingen si eten die daer vochten;

Der lieden die hem ’t eten brochte

Dancten God van de glorie

Voor dese edelre victorie.

Originele tekening uit jubileumdoos naar aan leiding van 700 jaar Guldensporenslag (Uit het Archief Jan de Beule)

Niemand heeft beter dan C. Verschaeve den slag der Guldensporen in een kort zegebericht naar actuelen trant samengevat. Het volge hier als besluit: 

Zo zou het leger bericht van 11 juli 1302 geluid hebben:

Heden werd één der meeste ongelijke slagen der geschiedenis door ons gewonnen. Een paar steden en een paar honderd dorpen hebben de ganse macht van Frankrijk vernield te Kortrijk. De Grootste pantserslag aller tijden werd geleverd. 10.000 ijzeren pantsers (de ijzeren ruiters van Frankrijk) werden door Vlaamse voetgangers verslagen en vernietigd. 600 gouden sporen werden op ’t slagveld opgeraapt. VLAANDEREN LEEFT VOOR EEUWIG!

 

Wordt strijden gevraagd, dan moet strijden gewaagd;

En beter ware het te vloeken en te strijden, dan te bidden en niet te strijden.

C. Verschaeve

Vlamingen gedenk de Slag der Guldensporen 11 juli 1920 (Uit het Archief Jan de Beule)

Tekst herschreven door: 
Rolf Waegeman
Schrijver onbekend