Operatie Wolfsangel

Ontwerp voor het Herdenkingsvaandel van "Operatie Wolfsangel" .(Uit het Archief Jan de Beule)

Voorwoord Operatie Wolfsangel 

Operatie Wolfsangel is de ‘codenaam’ geworden voor het ontgraven en opnieuw begraven van Anton Mussert, de Nederlandse leider van de Nationaal Socialistische Beweging N.S.B. Deze operatie werd uitgevoerd door enkele oud leden van de inmiddels ontbonden Vlaamse Militanten Orde V.M.O. Op zich was het dus geen echte V.M.O.-operatie meer daar deze plaats vond na de ontbinding van de organisatie. De kameraadschap van de oud leden en ook sommigen hun expertise bij het uitvoeren van gelijkaardige operaties lag aan de basis van Operatie Wolfsangel. Het is eigenlijk niet te geloven dat vandaag, meer dan 70 jaar na de tweede wereldoorlog er nog steeds geen sprake van kan zijn om overleden ‘verliezers’ van deze oorlog op een normale manier een laatste rustplaats te geven. Anton Mussert was een groot Nederlander in de echte zin van het woord. Reeds in de vroege jaren dertig waren er op de N.S.B.-bijeenkomsten en manifestaties naast de Nederlandse oranje blanje bleu driekleur, de fiere prinsenvlag, steevast ook de Vlaamse Leeuwenvlag en de Zuid-Afrikaanse boerenvlag aanwezig. Ook kende de N.S.B. in hun rangen een aanzienlijk aantal Vlamingen en sympathisanten onder hun leden waaronder de bekendste wel Flor Grammens was. Hoe me het ook draait of keert, hoe men het ook wikt en weegt, de toekomst van het heel Nederlandse volk zal geheel herenigd moeten zijn wil ons volk en hun taal nog toekomst hebben. We willen verder met deze brochure in vogelvlucht een overzicht geven wat na de moord op Anton Mussert gebeurde met het stoffelijk overschot, zonder over bepaalde zaken zeer veel in detail te treden. 

 

Hou Zee!

Jan De Beule.

Anton Mussert in NSB-uniform. (Archief: Jan De Beule)

De stoffelijke resten van Anton Mussert 

Reeds enkele jaren kort na de tweede wereldoorlog en na de zeer harde repressie tegen de mensen die collaboreerden met de Duitse bezetter was het plan gerezen in een kleine kring van oud NSB-ers en Nederlandse oostfrontstrijders om het lichaam van hun vermoorde leider en kameraad Anton Mussert op te graven en ergens op een veilige plek onder te brengen. Men wist dat het graf vroeg of laat zou worden geruimd en men wilde de stoffelijke resten veiligstellen tot een moment dat de tijd zou keren en dat Anton Mussert op een normale manier zoals elk mens dit toekomt, met de nodige eer zou kunnen worden begraven. Zo werd in de nacht van zaterdag 16 juni op zondag 17 juni 1956 overgegaan tot uitvoering van hun plan.  Men wist uit zeer goede bron met ook de nodige precisie waar het graf van Anton Mussert zich bevond. Met de nodige medewerking van juiste mensen van binnenin het gerechtelijke apparaat en na de nodige prospectie had men de locatie eerder al gelokaliseerd. Graf 5/6/22 (klasse 5, regel6, nummer 22) op de Algemene Begraafplaats van Den Haag. In dit graf zouden 64 personen zijn begraven geweest meestal gewone burgers die geen geld hadden voor een degelijk graf. Klasse vijf was namelijk de goedkoopste klasse om begraven te worden, een zogenaamd ‘armen’ graf. Het was de opzichter van de begraafplaats, een zekere meneer Kuipers, die de ontdekking deed en de politie van den Haag verwittigde. Het was de Hoofdinspecteur van de Haagse politie, meneer Harskamp die samen met agent Van Noppen die met het onderzoek werden belast. Met behulp van een speurhond werd een spoor gevolgd dat aan de achterzijde van de begraafplaats doodliep. Hier zijn de Mussert getrouwen met de stoffelijke resten in een auto gestapt en er vandoor gegaan.

Krantenknipsel  ‘Nieuwe Gazet’, 18 juni 1956. (Archief: Jan De Beule)

Krantenknipsel  ‘Onbekende Krant’, 19 juni 1956. (Archief: Jan De Beule)

Het gevaarlijkste deel van hun missie was volbracht. De politie liet dadelijk de andere kisten ontgraven want Mussert was immers na zijn executie bijgezet in een groepsgraf van vier, samen met onder andere de vermoorde Kameraden Max Blokzijl en Robert van Genechten. De stoffelijke resten van Kameraad Rost van Tonningen zouden in een ander groepsgraf hebben gelegen. Door de blootlegging van de drie overgebleven kisten en de daarop bevestigde herkenning plaatjes kon de politie vaststellen dat de Mussert getrouwen inderdaad hun vermoorde leider hadden meegenomen. De politie bevestigde dan ook het nieuws dat de stoffelijke resten van Anton Mussert inderdaad zijn verdwenen Meer dan een week later komt de politie met een ander verhaal, de Mussert getrouwen zouden toch de verkeerde persoon hebben meegenomen; Door een nieuw onderzoek op de begraafplaats alsook een Laboratories onderzoek aan de hand van resten kleding en gevonden schoenen in een aanpalend graf, wist men zeker dat het lichaam van de N.S.B.-leider nog steeds in zijn graf lag. Er was natuurlijk grote beroering ontstaan in Nederland toen het nieuws van de verdwijning van de stoffelijke resten van Anton Mussert openbaar werd gemaakt. De reacties van allerlei kanten waren zo fel dat het er wel op leek dat Anton Mussert was ontsnapt. Feit is zeker dat de autoriteiten en de Nederlandse gezagsdragers in hun hemt waren gezet en dat ze enorm gezichtsverlies hadden geleden. Men mag er gerust van uitgaan dat de tweede verklaring van de politie was bedoeld om de gemoederen te bedaren en het gezichtsverlies ongedaan te maken. Uit de mondelinge overlevering en uit meer dan betrouwbare bron weten wij met absolute zekerheid dat de Mussert getrouwen wel degelijk het juiste stoffelijk overschot hebben ontgraven. Leider Anton Mussert werd na de ontgraving op de Algemene begraafplaats van Den Haag begraven op privéterrein.

Krantenknipsel  ‘Het Laatste Nieuws’, 18 juni 1956. (Archief: Jan De Beule)

Krantenknipsel  ‘Onbekende Krant’, 19 juni 1956. (Archief: Jan De Beule)

Krantenknipsel  ‘Algemeen Dagblad’, 19 juni 1956. (Archief: Jan De Beule) 

Het doel was dus bereikt, het stoffelijk overschot van Anton Mussert was veiliggesteld en gered van de vernietiging en het is was gewoon wachten tot wanneer de N.S.B.-leider kon worden gerehabiliteerd. In de jaren zeventig verhuisde de man waar Anton Mussert lag begraven en zo werd er weer naar een oplossing gezocht om het stoffelijk overschot veilig te stellen. Zo kwam Anton Mussert dan in de tuin terecht van een Vlaamse oostfrontstrijder die zeer nauwe contacten onderhield met de Nederlandse strijdmakkers die zich hadden ontfermd over Anton Mussert. Dit is in een notendop de volgens onze informatie waarheidsgetrouwe weergave over de stoffelijke resten van wijlen Anton Mussert.  Ook was er het plan om hetzelfde te doen met het Lichaam van de vermoorde voormalige president van de Nederlandse Bank Meinoud Rost van Tonningen maar deze plannen zijn nooit uitgevoerd. De reden hiervoor was simpel, men wist niet de exacte locatie te achterhalen, in tegenstelling tot het graf van Anton Mussert. Dit is een voorbeschouwing op het verhaal dat is opgetekend door de overleden V.M.O.-leider en Kameraad Albert Eriksson over Operatie Wolfsangel. Hij was een van de uitvoerders van deze operatie. 

Jan De Beule.

brief tussen Mussert getrouwen grafprospectie. (Archief: Jan De Beule)

Originele foto's  grafprospectie, half jaren ’50. (Archief: Jan De Beule)

Operatie Wolfsangel door Bert Eriksson

Het ontstaan van de NSB

Tegen het einde van de jaren twintig ontstond er in Nederland kleine Fascistische en Nationaal- Socialistische partijtjes en groepjes. Zoals er waren: “De fascictenbond”, “Verbond van Nationalisten”, “het Zwarte Front” en “Verdinaso”. Om tot een groter geheel te komen, werd op 14 december 1931 de Nationaal- Socialistische beweging in de Nederlanden, door A. Mussert en C. Van Geelkerken opgericht. Een jaar later de weerafdeling. Dadelijk schaarden zich een groep intellectuelen rondom de pas opgerichte beweging. Het doel dat zij voor ogen hadden was een nationale wedergeboorte uit een corrupte en onvolkse democratie. De oprichting gebeurde onder een gelukkig gesternte. De slogan van de NSB werd: “Vertrouw in Godliefde” tot volk en vaderland. Eerbied voor de arbeid. Al het eerste jaar lukte de NSB 1000 leden te vergaren. In 1933 als A. Hitler aan de macht kwam had de NSB de wind in de rug en verstond zij erin om op twee jaar tijd 10.000 leden te verzamelen. Op het hoogtepunt in 1942 zelfs tot 80.000 leden! Tijdens de parlementsverkiezing in 1935 kwam de partij op 8% van de stemmen. Het gevolg was dat de bestaande zogenaamde democratische partijen de schrik om het hart sloegen en maatregelen eiste van de regering. Die liet niet lang op zich wachten. Er kwam uniform verbod en het stond staatsbeambten niet toe lid te zijn van de NSB! In 1935 brak de oorlog uit tussen Abbessinië en het fascistisch Italië. Toen A Mussert de zijde van Mussolini koos brak er hevige kritiek uit. Niet alleen van buiten maar ook binnen de NSB Het gevolg was dat vele hun lidmaatschap op zegden. Maar diegene die bleven vormden later de ruggengraat van de beweging. In zijn hagenspreken richtte Mussert zich meer en meer naar het Nationaal- Socialisme van Duitsland. Ras- Bloed en Volk waren de kernwoorden van zijn betogen. In middens van NSB ontstond de “Nationale Jeugdstorm”. Doel was de jeugd vaderlandsliefde en inzet voor het eigen volk aan te kweken. In 1939 werd de internationale politieke toestand als maar spannender. In Nederland richtte de Nationalistische groepen zich geestelijk en ideologisch meer en meer naar hun geestverwanten in Duitsland. Joden en vrijmetselaars werden ui de NSB geweerd. In 1939 verklaarde Engeland en Frankrijk de oorlog aan Duitsland. Duitse troepen rukten de 10de mei 1940 Nederland binnen. De


Verkiezingspropaganda NSB. (Archief: Jan De Beule)


14de mei capituleerde het Nederlands leger. Het “Huis van Oranje” vlucht naar Engeland. De 19de me wordt Dr. Seyss - Inquart rijscommissaris voor Nederland. Reeds in juni 1940 melden zich de eerste vrijwilligers voor de Nederlandse SS. Om onderlinge concurrentiestrijd tussen de verschillende Nationaal Socialistische groepen een einde te stellen, wordt door de Duitsers de NSB als enigste Nationaal- Socialistische partij erkent. Op 10 december 1941 legt A. Mussert de eed af op A. Hitler. Nederland heeft gedurende de oorlog de meeste vrijwilligers voor het Oostfront geleverd van al de “Germaanse landen”. Met de nederlaag van het 6de Duitse leger in Stalingrad keerde de krijgskansen voor Duitsland. Het initiatief lag nu meestal in de handen van de vijand. In 1945 kwam dan “Bijltjesdag” met al zijn verschrikkingen. Het werd de grootste mensenjacht ooit. Tienduizenden werden vervolgd, opgesloten, mishandeld en gefolterd. A. Mussert, Blokzijl en Rost Van Tonningen werden vermoord. Dit was het einde voor de NSB. Het einde van een IDEALISME.

 Bert Eriksson

Bron: Rost Van Tonningen – Heubel 

“Op zoek naar mijn huwelijksring”. Uitgeverij ‘’ De Krijger”

De aanhouding van A. Mussert

In de namiddag van de 7de me 1945 werd A. Mussert, leider van de Nationaal-Socialistische Beweging der Nederlanden op last van het hoogst militair gezag aan de korte Vijverberg gearresteerd. Hij was niet gevlucht toen de Duitsers het land verlieten... Noch heeft hij zich schuilgehouden. Hij achtte het tot zijn plicht te blijven. Teneinde verantwoording te kunnen afleggen van zijn handelingen tijdens de bezetting van Nederland toen de regering op de vlucht was geslagen. Vanaf zijn arrestatie heeft hij tegen ieder die met hem in aanraking kwam, gezegd dat ijn executie bij voorbaat vast stond. Om 9 uur op de avond van de 4de mei 1945 kwam het bericht door de radio, dat het Duitse leger in Nederland capituleerde. De volgende dag om 12 uur zou de machtsovername plaats vinden. In de tuin van de Ergänzungsstelle van de Waffen-SS, werden grote hoeveelheden papier verbrand. Ditzelfde was ook het geval op het plein nr.1 waar zich de burelen van SS- Obergruppenführer Rauter bevonden. Inmiddels was de jacht op leden van de NSB al begonnen. In de morgenuren riep Mussert de mannen van zijn kleine lijfwacht bijeen en deelde hun mede hen vrij te laten, bij hem te blijven of naar hun gezinnen terug te keren. Een zestal behoudens en een bediende wilden ook in de laatste uren hun leider niet

Wervingspropaganda NSB. (Archief: Jan De Beule)

verlaten. Ook zijn Adjudant blijf bij hem. Op last van Mussert werd het huis nog eens grondig schoongemaakt. Zodat in alle vertrekken een voorbeeldige orde en netheid heerste. In de gehele stad was het rumoerig. Tegen halfvier in de namiddag van 7 mei werd het duidelijk dat er veranderingen op komst waren. Voor het gebouw verschenen twee gepantserde verkenningswagens. Het werd drukker in de straat. Op de daken van de omliggende huizen verzamelden zich talloze nieuwsgierigen. Mussert lag op een houten brits in een der achtervertrekken. Er waren inmiddels een aantal auto’s aangekomen. De straat vulde zich met een groot aantal mensen waarvan verschillende in uniform. Een van de mannen van Mussert’s lijfwacht meldde dit aan de Adjudant die de achterpoort liet openen. Er volgde een kort gesprek aan de poort waarna deze weer werd gesloten. Zonder dat iemand was binnengelaten. De Adjudant stelde Mussert er van in kennis dat een groot aantal personen was aangekomen om hem te arresteren. De leider kleedde zich aan en begaf zich naar zijn werkkamer. Intussen was iemand naar de poort gegaan om die te openen. Achter de poort stonden drie personen in burger. Waarvan twee met brede armbanden. Op enige afstand bevond zich een vrij grote menigte waaronder een aantal mannen in het oude uniform van de Marechaussee. De personen met de armbanden bleken tot de hoogste gezagdragers van de Binnenlandse Strijdkrachten te behoren. Zij waren vergezeld van de waarnemend hoofdcommissaris van politie. “De heer Mussert moet naar buiten komen”! “De heer Mussert verwacht u in zijn werkkamer” zei een van de lijfwachten. Toen dan het gezelschap de werkkamer betrad namen de beide hoge functionarissen der B.S. hun hoed af. Intussen hadden de aanwezige leden van Mussert’s lijfwacht en enige anderen hun wapens en munitie afgegeven. Mussert onderhield zich inmiddels volmaakt rustig met één van de personen. Hij at nog een kleinigheid en liet zijn koffer pakken. Op dat uur begon de uittocht uit het hoofdkwartier van de NSB. Mussert, Huygen en de Adjudant werden afzonderlijk naar een gereedstaande particuliere auto geleid. De anderen werden gezamenlijk afgevoerd. In langzaam tempo reed de stoet omstuwd door een grote menigte naar de Herengracht. Waar reeds vele arrestanten waren ingeschreven. Voor het gebouw aan de Herengracht bevond zich een grote tierende menigte. Hoofdzakelijk gepeupel kennelijk uit de onderwereld. In het gebouw heerste een onbeschrijfelijke wanorde. Talloze opgesloten lummels met stenguns en pistolen liepen doelloos rond. Van enig gezag was niets te bekennen. De formaliteiten vergeden veel tijd. Ondertussen joelde het gepeupel buiten: “We willen Toontje zien”! Het was een walgelijke vertoning. Eindelijk was dan de inschrijving geschied. Mussert en Huygen

Propagandapostkaart, Anton Mussert. (Archief: Jan De Beule)

werden omringd door een haag van zwaargewapende lieden naar een auto gebracht. Het grauw van de straat drong op om hen te lynchen. Uiterst langzaam reed de wagen in de richting van het huis van bewaring. Waar de nieuwe inschrijvingsformaliteiten verliepen. Tenslotte werden de arrestanten gescheiden en elk afzonderlijk in een cel opgesloten. Waarmede de tragedie van Mussert een nieuwe fase inging. Alle politiek gedetineerden die in de gevangenissen of huizen van bewaring verbleven waren in de eerste tijd na de bevrijding het voorwerp van belangstelling. Allerlei bezoekers in deze in normale tijd volstrekt ontoegankelijke inrichtingen werden toegelaten om de gevangenen te “bezichtigen”. Daarbij speelden zich vaak de meest afgrijselijke taferelen af die nauwelijks kunnen worden beschreven. Toen Mussert in juli 1945 overgebracht werd naar de cellenbarakken in Den Haag behoorde deze toestand al grotendeels tot het verleden. Mussert had in korte tijd door zijn persoonlijkheid, zijn correcte en vriendelijke houding het gehele personeel op zijn hand. Bewaarders die gewend zijn elke gevangene met jij en jou aan te spreken hoorde men spoedig nooit anders meer zegen dan “meneer Mussert”. Mussert weigerde later gratie te vragen. De bijzondere raad van cassatie bekrachtigde op 20 maart 1946 het doodvonnis.

 

Bert Eriksson

Bron: Paul Van Tienen “conservatieve revolutie”

De laatste uren van Mussert

Het verslag ontleend aan de ooggetuige W. Terpstra. Nadat het genadeverzoek door H.M. de Koningin was afgewezen werd ik op 6 mei 1946door kapitein Koopman Commandant van het Barakkenkamp te Scheveningen naar een personenauto gebracht. Ik trof mijn vrouw Helena- Mussert Terpstra aan onder toezicht van een bewaker. Met zijn vieren reden wij naar de Barakken gevangenis waar wij na enig wachten met mijn schoonzuster mevrouw Penning- Mussert in een cel werden opgesloten. Tegen 19 uur werden wij overgebracht naar het dagverblijf voor de bewakers gelegen aan de gang tegenover de hoofdingang. Korte tijd daarna kwam Mussert bij ons. Het weerzien van ons drieën onder deze omstandigheden greep hem blijkbaar aan. Zijn ogen waren tenminste vochtig. Doch hij bleef zijn gevoelens volkomen meester en informeerde ons naar de behandeling. Ik had daarbij de gelegenheid hem de groeten van zeer velen over te brengen, waarvoor hij


Krantenknipsel  ‘Volksgazet’, 29 november 1945. (Archief: Jan De Beule) 

dankbaar was. Hij verzocht zijn wedergroet over te brengen. Tijdens dit gesprek kwam Pater Beemsterboer binnen van wie Mussert veel vriendelijkheid heeft ondervonden. Zelfs die dag zijn verjaardag herdenkend bleef hij 2 uur. Nadat Pater Beemsterboer vertrokken was bleven wij vieren bijeen. Later trok Mussert zich terug in zijn cel om nog een paar brieven te schrijven. Mijn vrouw heeft hem daar nog opgezocht en gedurende een half uur hebben zij nog allerlei jeugdherinneringen opgehaald. Om twee uur kwam Mussert weer binnen: “ziezo, nu ben ik klaar”. “Beste dominee ik wilde nog graag dat u vier dingen voor mij deed”. Hij verzocht toen sd Sijbrendij voo enige geleende boeken en dergelijke te zorgen, zodat deze met zijn dank aan de eigenaar terugkwamen. Aan mij verzocht hij zijn jas, colbert en vest “straks” in ontvangst te willen nemen, zo mogelijk ook zijn broek. Het pak dat hij droeg had hij voor zijn zwager Penning bestemd, “die ook niets meer hadd”. Zijn overjas gaf hij aan mij. In de loop van de nacht is er over allerlei gesproken. Meer dan eenmaal uitte hij zijn vast vertrouwen over de onbaatzuchtige bedoeling van de NSB die waardering van het Nederlandse volk zou krijgen waarop zij recht had. Het weghalen van de eigendommen van NSB-ers noemde hij roof. Hij vroeg onder het gesprek door, “Hoe laat is het Wim?” “Vijf uur”, “nog anderhalf uur”, zo zei hij in zichzelf en sprak daarna weer verder. Het laatste uur was uitsluitend aan het geestelijke gewijd. In aansluiting hierop hebben wij geknield liggend, alle drie gebeden. Om 6 uur kwam de commandant Koopman de kamer binnen en zei “Meneer Mussert ’t is langzamerhand tijd dat wij ons gereed maken”. “Ik ben gereed commandant”, antwoordde Mussert opstaande en zijn jas die hij los om zijn schouders had hangen aantrekkend. Van alle kanten kwamen bewakers en een paar zusters om Mussert de hand te drukken en afscheid van hem te nemen. Een van de zusters vroeg: “Meneer Mussert, heeft u nog iets gegeten?” Waarop hij antwoordde: “Een beschuitje zuster, maar veel heb ik niet meer nodig”. Een bewaker die aanvankelijk had gezegd niet met Mussert te willen meegaan trad nu op hem toe. Hij zei hem de hand drukkend: “ik wist wel dat mijn vrienden mij niet in de steek laten”. Lopend door de gang vroeg de commandant: “en meneer Mussert nog wat geslapen?” “Och, commandant.” was het antwoord. “Een mens slaapt ’s nachts om weer op krachten te komen voor het werk dat hem ’s morgens wacht”. “Mijn werk is afgelopen”. “Ik dacht, ik hoef dus ook niet te slapen” Van de commandant nam hij met enige woorden afscheid. Aan de ingang van de gevangenis stonden enige militairen in kaki en op de binnenplaats wachtte een gevangenisauto. Daarin namen wij plaats. Mussert zittend op de bank geflankeerd door ds. Sijbrandij en mij, aan weerzijden stond en bewaker. Bij het weggaan viel het oog van Mussert op een paar motorrijders die voor de auto uitreden. Dit uniform bevalt mij niet, kleur, snit, stof, … ’t is eigenlijk geen uniform. Een der bewakers merkte op: “Het is vandaag precies een jaar geleden dat u bij ons kwam meneer Mussert.” Een raampje stond open waardoor het enigszins tochtte. Mussert vroeg mij of ik er last van had, op mijn ontkenning zij hij nog voor zich heen: “Voor mij hindert het niet meer”. De auto reed het kazerneterrein enige honderden meters op. Hield toen stil op een plaats waar rechts enige loodsen stonden. Daarop zagen wij een paar auto’s, een groep militairen en een burger. Toen wij uitgestapt waren kwam een der militairen op ons toe en vroeg: “Is u Antoon Mussert?” “Die ben ik!” Het was toen 6 uur 27. Toen volgde: “Wilt u dan maar meegaan!” “Zeker”, zo vast als zijn stem was, Zo vast was de stap waarmee hij ons voorging. Geflankeerd aan beide zijden door twee officieren in kaki. Daarachter volgde ds. Sijbrandij met aan weerzijden een bewaker. Dan kwam ik tussen twee bewakers en daarachter volgden drie bewakers. Mussert liep voorop links en rechts kijkend alsof hij op een bijeenkomst tussen zijn eigen mensen had gelopen ongeveer 100 a 200 meter liepen wij zo de weg verder en zagen algauw in een soort duinpan rechts van ons een peloton. “Meneer Mussert, wilt u maar langs komen,” aldus de officier, vermoedelijk een majoor. “Nee, ik moet eerst nog afscheid nemen van mijn zwager”, zei Mussert en zich omkerend trok hij zijn jas uit, legde die op mijn linkerarm, daarboven op zijn colbertjas, zijn vest en tenslotte zijn hoed. Toen drukte hij mijn hand, rustig, warm, stevig en zei met volle stem: “Dag Willem, dank je wel”. “Dag Anton, sterkte!” Rechtop liep hij vervolgens naast de majoor langs het peloton naar een witte paal, die ca. 10 a 20 passen voor de soldaten stond; daarachter op ongeveer 20 meter een duintop. “Dit wordt een historische plek”, zei een der bewakers naast mij. Gevolgd door ds, Sijbrandij had Mussert de paal bereikt. Ging er vlak voor staan, de rug ernaartoe. Men legde hem een touw over de schouders. De dominee wisslede nog een paar woorden met hem. Inmiddels had de majoor zich rechts van het vuurpeloton opgesteld. Mr. Zaaijer (de aanklager) liep op de majoor toe en wisselde een paar woorden met hem. Hij liep achter het peloton om naar de militair die het bevel voerde. Zei hem iets en begaf zich weer naar zijn plaats. Mussert stond gekleed in wit hemd met zwarte das, donkere broek en zwarte leren riem, rechtop voor de soldaten. De wind speelde met de lok op zijn voorhoofd. Boven hem de heldere hemel. Achter hem het Hollandse blonde duin. Hij keek naar het zuiden. De zon kwam voor ons rechts. Duidelijk was het heldere blauw van zijn ogen. De kapitein bewoog de rechterhand. De twaalf geweren werden aangelegd. Opnieuw hief de kapitein zijn hand omhoog, een salvo klonk.  Daar schokte het lichaam op. Dan neigde het hoofd, knikten de knieën en gleed het lichaam langs de paal omlaag in het middel naar voren buigend. Een donker borstgeluid was hoorbaar, “uh…”. Het voorhoofd raakte het zand. Ik wilde naar voor lopen. “U moet blijven staan”, werd naast mij gezegd. “Ja maar ik wilde zien of hij werkelijk dood is”. Ik deed enkele passen naar voren. De soldaten rukten in. De dokter kwam onmiddellijk aanlopen. Lichtte het hoofd op, de doodskleur lag al op het gezicht en voelde de pols. Men maakte het lichaam los van de paal en legde het languit. De oogleden gingen langzaam terug maar het blauw was weg. Het was troebel en grijs, het leven was weg. Ik wilde mij bukken om de oogleden te sluiten maar de dokter was mij voor. “Nu moet u meegaan”. “Neen, ik wacht nog tot hij gekist is”. Er werd een eenvoudige bruine gebeitste kist van vurenhout aangedragen. Het deksel lag er los op, de spijkers zaten er reeds in. Ze bleek wit gevoerd met een zwart hoofdkussentje. Het lichaam werd erin gelegd zoals het was. De kogels hadden enkel de hartstreek getroffen. Aan de voorzijde was slechts weinig bloed, aan de achterzijde des te meer… Het deksel werd op de kist gedaan. “Nu met u meegaan”. “Goed, maar ik wil weten waar de kist blijft”. Langzaam wandelden wij terug, de kist werd behoedzaam achter ons aangedragen. Staande bij de gevangenisauto zag ik dat zij werd geplaatst in een militaire vrachtauto. Ik stond toen midden in een groep militairen en bewakers en zei: “Dat is de eerste politieke leider in Nederland die gefusilleerd werd”. Dominee Sijbrandij voegde zich weer bij mij. Het was toen 6 uur 40. “Gestorven als een man”, voegde de dominee mij toe. Hij deelde mij mee dat het stoffelijk overschot naar de algemene begraafplaats in Den Haag werd vervoerd. In de gevangenis is men verder voor ons, mijn vrouw, schoonzuster en mij goed geweest. De commandant, de dominee en de dokter zijn ons komen condoleren. Het werd toegestaan Mussert’s bijbel te behouden. Te elf uur hebben mijn vrouw en ik afscheid genomen van mijn schoonzuster en zijn wij door de commandant met een bewaker naar Amersfoort (Rijnauwen) teruggebracht. Tot zover de Heer W. Terpstra zwager van A. Mussert. De dag nadat het vonnis werd uitgevoerd verscheen in de Nederlandse pers: “Mussert’s vonnis voltrokken”. De voormalige leider van de NSB Anton Mussert is vanochtend in de Waalsdorpervlakte gefusilleerd. Zondagmiddag was Mussert ervan in kennis gesteld dat H.M. de Koningin het zijne behoeve ingediende gratieverzoek had afgewezen.

Krantenknipsel  ‘Nieuwe Gazet’, 8 juni 1946. (Archief: Jan De Beule)

Operatie “Wolfsgang”, de herbegraving

Het was in het begin van een nieuw jaar. Toen tijdens de traditionele receptie een zeer bekend en voornaam persoon in Oostfrontkringen mij bij de arm nam en naar achter aan de zaal troonde. Het rumoer was er veel minder sterk en er waren nog enkele tafels vrij. Een verafgelegen tafel kreeg de voorkeur van de “voorname”. “Kom Bert, hier zullen zij ons zeker niet komen storen”. Toen wij gezeten waren vergewiste hij er zich van dat niemand ons afluisterde kon. Hij dronk even van zijn glas en plaatste het dan voorzichtig terug op tafel. Aarzelende keek hij mij aan net of hij niet wist hoe aan te vangen. Nieuwsgierig bekeek ik hem. “Bert” zo opende hij het gesprek. “Ik heb steeds voor de VMO en u bewondering gekoesterd”. Toen de ober onze glazen kwam bijvullen zweeg hij even. Samen klonken wij dan ven op het jaar dat komen zou. “Bert”, zo ging hij veder. “Het geheim dat ik ga vertellen is een bewijs hoezeer ik u vertrouw”. Toch moet je mij beloven dit voorlopig voor u te houden”. Ik knikte instemmend. Wij zwegen even toen enkele luidruchtige feestvierders voorbij stuwden. “Er zal een tijd komen dat ik er niet meer zal zijn”. Dan is het huis voor mijn vrouw te groot om erin te wonen”. Ik knikte al had ik zijn huis nog nooit gezien. Ik gebruikte één van mijn 7000 gezichtsuitdrukkingen om hem te overtuigen verder te gaan. “Bert bij mij in de tuin ligt reeds mee dan twintig jaar een man begraven, een groot man”! Hij pauzeerde even. Toen hij echter de ontzetting op mijn gezicht zag ging hij haastig verder. “Het is Mussert Bert, Mussert,” zei hij zachtjes. Daarbij zijn gezicht in een plechtige plooi plaatsend. Mijn hoofd tolde zoals en ouderwetse draaitol uit mijn leuke kinderjaren, of was het een koppige champagne! Even was het stil. De “voorname” keek mij doordringend aan net of hij mijn gedachten en emoties wou peilen. Met even hese stem vroeg ik hoeveel er op de hoogte waren. Hij noemde een drietal personen. Ook vroeg ik hoe groot de kist dan wel was. Hij noemde enkele maten. Waarom had hij mij in vertrouwen genomen was mijn vraag. “Graag zou ik zien Bert dat je ook voor Mussert een oplossing zou vinden”. “Zoals destijds met Verschaeve en De Clercq”. “Ja, maar toen was er nog een VMO actief”, repliceerde ik. “Je hebt de tijd Bert, al de tijd”. Ik beloofde hem over de zaak grondig na te denken. Na nog wat heen en weer gepraat, daarbij de ober geen rust gegund, keerde ik terug naar mijn beteuterd gezelschap. Mijn hoofd draaide nog steeds als een draaitol. Ik was er nu zeker van dat de dure champagne de dader was. Wekenlang dacht ik na over dit gesprek. Mijn gedachten gleden het verleden in.

Opgegraven en geopende cilinder met de stoffelijke resten van Anton Mussert. (Archief: Jan De Beule)

“Brevier” en “Delta”, vage herinneringen uit een grijs en vervlogen periode. En vandaag vijfentwintig jaar later, Mussert. Drie grootheden, drie groot-Nederlanders, drie monumenten. Inmiddels gingen maanden voorbij. Initiatieven in die zin had ik nog niet genomen. Op een bijeenkomst in de nazomer trof ik er wederom de “voorname”. Hem even terzijde nemend vroeg ik hem of de zaak nog zou plaatsvinden “Maar natuurlijk Bert, natuurlijk ik wacht op u”. Was het antwoord. Achteraf dacht ik eraan dat ik mogelijk wat te overhaast te werk was gegaan met mijn woord te geven. Op enkele kapitale vragen moest beslist nog geantwoord worden. Waar zou ik (wij) Mussert begraven? Voor de voormalige NSB-leider lagen de speelkaarten niet zo gunstig als destijds voor de Heren, Verschaeve en De Clercq. Voor hen was een eindstation voorzien: Alveringem en Asse. Maar Mussert! Hij zou in Werkendam geboren zijn. En waar ligt Werkendam? Dan nog een andere kapitale vraag. Wie zou met mij in de boot stappen? Ik had absoluut twee man nodig. In gedachten verzonken liet ik mensen van vroeger de revue passeren. Veel keus was er niet. Velen uit de VMO van destijds zaten nu stevig ingebed in de partij zoals wortelen in de grond. Politiek veranderd een mens, dat had ik reeds tot mijn ontgoochelingen kunnen vaststellen. Na gewikt en gewogen te hebben, viel de keuze op twee ex-VMO’ers. Met beiden had ik nog regelmatig contact. Met deze twee zou ik een kleine staatsgreep kunnen plegen, dacht ik bij me zelve. Ik was aan de weet gekomen dat de “Mussert-Garde” op de linkermouw van het uniform de Wolfsangel droeg. De naam voor deze gloednieuwe operatie was dus snel gekozen: “WOLFSANGEL”. Het werd stilaan de tijd dat ik twee kompels in vertrouwen moest nemen. Ik contacteerde de eerste ex-VMO-er uit het korte rijtje. Géén glans, géén schittering, géén zweem van enig emotie was op zijn gezicht af te lezen. Toen ik hem op e hoogte bracht. Maar kalm en bedaard zegde hij zijn steun toe. Met de tweede ex- VMO-er eindigde het rijtje. Ook bij hem een positieve reactie. De ploeg was dus compleet. De identiteit van de “voorname” hield ik echter voorlopig voor mij zelf. Eveneens de buurt waar hij woonde. De “voorname” bracht ik op de hoogte dat de ploeg gevormd was. En voor de rest was alles nog een vraag en schemerig. Toen ik op een dag de groei van e prei in mijn tuintje in ogenschouw nam, kreeg ik onverwachts het bezoek van een “Engel des Heren”. Met een stem die klonk als een zilveren tafelbel wees “Hij” de plek aan. Waar wij A. Mussert moesten herbegraven. Ik was als van de hand Gods geslagen! Welk een schitterend voorstel! Toen ik hel wou bedanken was de “Engel” reeds verdwenen. Ik vertelde de twee kameraden over de plaats die mi het meest geschikt leek. Over de “Engel des Heren” zweeg ik als vermoord.

Geopende oude cilinder met de stoffelijke resten van Anton Mussert. (Archief: Jan De Beule)

Later vroeg ik de “voorname” of hij met dit plan kon instemmen. “Zeker Bert, zeker”. Ook hij vond het een goed idee. Later opperde de eerste ex-VMO-er een bedenking. “Laten wij eens naar Werkendam rijden”, ging hij verder. Persoonlijk had ik sterke bezwaren tegen het herbegraven van A. Mussert in Nederlandse aarde. In het kapitel hadden wij echter allemaal hetzelfde aantal stemmen. Op een herfstdag reden wij met twee auto’s naar de coördinaten K.21. Het commando en met hen de drie respectievelijke echtgenotes. Eenmaal aan de stadsgrens gekomen hielden wij halt om op een infotafel het stadsplan te raadplegen de stad Werkendam telt drie dodenakkers. Twee voor “Eigen volk eerst” en de derde voor zonen en dochters van wijlen aartsvader Abraham. Daar moesten wij dus niets gaan zoeken! Zoals in elke stad in uitgroei liggen de dodenakkers steeds ver uit elkaar. Ook daar in Werkendam. Enkele uren zijn wij dan op zoek geweest. Zelf verwijl ik graag op een dodenakker. Kijkend naar de graven, de datum van geboorte en overlijden. Welk een maatstok wordt er door schepping gehanteerd? De één sterft alvorens hij de eerste tand heeft. De andere dan pas als hij of zij reeds jaren de laatste tand heeft moeten inleveren. Welk is de zin van het leven, zo vraag ik mij dan mijmerend af. Een familiegraf hebben wij daar niet gevonden. Toen wij terug naar de auto’s slenterden zegde de tweede ex-VMO-er ons dat hij ging aankloppen bij één van die huizen dat er uitzag als een pastorie. “Misschien weten zij daar iets meer”, vertelde hij ons. Het was geen pastoor die de deur opendeed. Wel een minzame oudere man. Volgens de tweede ex-VMO-er, nodigde de minzame hem om even binnen te komen. Daar het buiten kil en nat was. Ook wrong de man zich niet in allerlei angstbochten, toen de tweede ex-VMO-er de naam Mussert uitsprak, integendeel. Hij bleek zelfs zéér behulpzaam. De familie Mussert had reeds in 1923 de stad verlaten. Van een familiegraf wist de man helemaal niets. Wel dat Mussert in 1946 op de Waalsdorpervlakte was gefusilleerd. De oude man bleek een staalhard geheugen te bezitten. Naar de auto’s slenterend, vertelde de eerste ex-VMO-er dat hij op internet zou grasduinen. Naar huis zeilend trakteerde zijn vrouw van ons onderweg op een “Imbiss”. Enkele dagen daarna ontving ik telefoon. Op internet wist men te zeggen dat Mussert werd afgestudeerd aan de universiteit te Utrecht. Daarop stelde hij voor om eens naar Utrecht te rijden…! Korzelig wimpelde ik dit voorstel af. Nu meer dan ooit zou het de plaats worden die de “Gezalfde Des Heren” ons had aangewezen. Op onze samenkomst stelde wij een embryonaal plan op. Ik zo de bewuste avond het stuur nemen en ter plekke de wacht waarnemen. Twee gsm’s zouden het onderling contact verzorgen. Vóór de vorst zou intreden moest het werk geklaard zijn. De andere twee ex-VMO’ers zouden het spitwerk doen.

Stoffelijk overschot: Anton Mussert, met VMO-perkament over de herbegraving. (Archief: Jan De Beule)

Maar vooreerst moesten wij het terrein nog gaan verkennen. In geuren en kleuren bracht ik de “voorname” op de hoogte. Hij knikte minzaam. Ik vroeg hem wanneer wij de leider mochten komen afhalen. “Verwittig mij op tijd Bert en ik zorg ervoor dat ik thuis ben”. Telefonisch maar in het Sanskriet bracht ik ook de twee ex-VMO’ers op de hoogte. Met voorgestelde dag en uur waren wij het alle drie eens. Toen pas gaf ik de identiteit van de “voorname” vrij en waar hij woonde. Het was kil en regenachtig toen wij aanklopte bij de “voorname”. Ik stelde het gezelschap aan elkaar voor. Na de gebruikelijke beleefdheidsfazen uitgewisseld te hebben nodigde hij ons eerst uit om een koffie te drinken. Na wat van gedachten gewisseld te hebben besloten wij om de hengst bij de teugels te nemen. “Kom, ik wijs jullie de weg”. De grond was drassig van de wekenlange regenval. Het voelde aan als drijfzand. Met zijn goed verzorgde hand wees hij de plek aan waar gegraven moest worden. De tweede ex- VMO-er stak als eerste de spade de grond in. De andere volgde het voorbeeld. Wij bemerkten alvast dat de grond zwaar en vettig was. Vooral de twee spitters. De ‘heer des huizes’ nodigde mij uit om even binnen te komen. Van gedachten wisselend keken wij beide door het raam. We bemerkten hoe de twee spitters het zweet van hun voorhoofd wisten. Ook viel het ons op dat de uitgespitte grond alsmaar hoger werd en er nog steeds geen kreet van opwinding werd geslaakt. Ongerust keek ik nogmaals naar de “voorname”. “Hoe diep zit de kist?” Vroeg ik hem nog eens. “Ne goeie halve meter Bert”, was het iets of wat aarzelend antwoord. “Laten wij eens gaan kijken”, stelde hij voor. De twee gravers zaten reeds dieper dan de voorstelde diepte van de “voorname”. Beide stonden het zweet van hun voorhoofd te wissen. Op de spaden leunend keken zij argwanend de “voorname” aan. Twijfel droop samen met het zweet van hun voorhoofd. “’t Is ook al zo lang geleden”, zei de “voorname” zich zelf verdedigend. Na even nagedacht en rondom zich gekeken te hebben, sprak hij. “Probeer hier eens” en wees daarbij naar een plek die enkele voetstappen verwijderd was van de vorige. “Ik ga uit de auto mijn peilstok halen”, sprak de eerste ex- VMO-er geprikkeld. Hij bedoelde de ijzeren stok waarmee hij in zijn jonge jaren een soort Merovinger had bovengehaald. Men kon er ook de loop van een geweer mee kuisen. Verbeten, begonnen ze opnieuw te graven. Gretig werd gebruik gemaakt van de peilstok. Na een tiental minuten, toen elke schop alsmaar werd en meer en meer zweet geproduceerd, slaakte de tweede ex-VMO-er een hoopvolle gil. “Hier zit iets”. Dit zeggende, druppelde het zweet via de neus de gegraven put in. Een klein detail met voor mij jarenlange leuke herinneringen. Verbeten en vechtlustig, dreef men de peilstok de grond in. Even dacht ik aan één van de drie musketiers! En zie. De klank van metaal op metaal

Stoffelijk overschot: Anton Mussert. (Archief: Jan De Beule)

Het bleek inderdaad een kist te zijn. Met verenigde krachten werd de kist door middel van een touw uit de drassige grond gehaald. Na een grondige wasbeurt lag de kist van om en nabij 60 x 60 cm en met een diameter van 45 cm voor ons op het gazon. Dus eerder een cilinder. En daarin zouden dan de stoffelijke resten van A. Mussert zich moeten bevinden. Aan de buitenkant was een tekst aangebracht. Overplant met doorzichtige kleefband, hij dateerde uit het jaar 1977. Hij was destijds aangebracht door de “voorname” toen hij de kist van Hollandse kameraden in ontvangst had genomen. De kist was uit lood. Op een tuinwagentje werd de cilinder weggebracht. We dempten de beide kuilen. Onder het waakzame oog van de “voorname” werd inmiddels het deksel van de kist losgebrand. Naast de kist een zeil om er het gebeente te kunnen op uitstallen. Plechtig keken wij toe hoe de inhoud op het zeil uitgestald werd. Vooreerst waren er twee afzonderlijke in plastiek verpakte mededelingen. Een was geschreven met de typmachine en ondertekend door een zekere Hartman, geboren op 23/12/1897. De andere was met de hand geschreven en ondertekend door twee personen met als datum 1977. Hetzelfde jaar dat de “voorname” de kist in ontvangst had genomen. Plechtig werden de “dode- zee-rollen” op het zeil gelegd. De stoffelijke resten werden dan op het zeil uitgestald. Waar ze gerangschikt werden en de plaats kregen die indertijd door de Schepping was voorzien. Op enkele fragmenten na was het skelet compleet. Mijn gedachten gleden terug de tijd in: Verschaeve, De Clercq en vandaag hier A. Mussert. Als laatste enkele krantenknipsels uit het jaar 1954. Waarschijnlijk het jaar dat A. Mussert voor de eerste maal werd opgegraven. Er werden foto’s gemaakt. De eerste ex VMO-er drukte zijn spijt uit dat hij zijn videocamera niet bij zich had. Het was inmiddels laat geworden. Terwijl de tweede ex- VMO-er het gebeente terug in de kist legde, zuiverden de andere ex- VMO-er en ik het materiaal. “Potverdomme”, gilde de tweede ex- VMO-er opeens. “Maaine zeigelring is foutchee”. En inderdaad, bleek zijn zegelring verdwenen. Overal gezocht, aan de waterkraan, daar waar de handdoeken lagen, op de vloer… geen ring! De enkele haren die hem nog reste rezen ten berge toen hij aan de twee uitgegraven en inmiddels gedempte kuilen dacht! “Kijk eens in de kist” opperde iemand. Bot na bot werd uit de kist gehaald en jawel onderaan lag de “zegelring”. Opluchting bij de ex- VMO-er, gegrinnik bij ons. De heer des huizes nodigde ons uit om een kop koffie te drinken. Tussen de hete teugen door, stelde ik voor de kist tot de helft te herleiden. Kwestie van handigheid en weinig ruimte eisend. “Ik arrangeir da weil”, orakelde de tweede ex- VMO-er. Wij vertelden de “voorname” dat de kist nog een tijd elders verborgen zou worden. Op het geschikte ogenblik zou dan operatie “Wolfsangel” in werking treden

Detail: stoffelijk overschot, Anton Mussert. (Archief: Jan De Beule)

. De “voorname” dankte ons ontroerd voor onze medewerking. En met een hei-zegen namen wij afscheid van de man. Enkele weken verliepen en het werd tijd om tot actie over te gaan., alvorens de vorst zijn intrede zou doen.Waarschijnlijk was de nachtrust van de eerste ex- VMO-er de laatste dagen niet zo opperbest. Want hij vermoedde overal spoken, smokkelaars, wandelaars en politie. Samen met de eerst ex- VMO-er zetten wij de ander ex- VMO-er onder druk. “Het moet dit jaar gebeuren” zei ik hem. Risico’s zijn er altijd aanwezig. Dat zag hij natuurlijk ook wel in. Uiteindelijk kwamen wij overeen om op de donderdag afspraak te maken bij de tweede ex- VMO-er. En vandaar uit ouden wij dan de laatste stap zetten. Alles stond reeds gereed toen wij aankwamen. Fier toonde hij het lodencilindertje. Het had de vorm en ongeveer de grootte van een… WEHRMACHT GASMASKER. Hij had er zelfs een handvat aan gesoldeerd! Het gebeente had hij voor de laatste maal uitgespreid op een deken. De ex- VMO-er die ditmaal zijn videocamera had meegebracht filmde enkele opnamen. Terwijl de camera aan het zoemen ging deponeerde men bot per bot in het lodencilindertje. Achteraf kwamen dan de drie teksten van onze voorgangers. Als laatste die van ons. Ik dacht er goed aan te doen onze tekst nog eens vóór de camera woordelijk te herhalen. Eng- eng Holland, haat- en jodenstaat. Moordende staat op één Uwen grootsten. Laf, verdraagzaam voor al diegenen die onze cultuur in al de geldingen bedreigen. Intolerant echter tegenover al wat Nationalisme en Volksverbondenheid aangaat. Wij, Vlaams Nationalisten ontzeggen de “Hollandse” staat het recht het gebeente te mogen bezitten van A. Mussert. Heden in de Kerstweek van 1997 werd het stoffelijk overschot van de leider piëteitsvol herbegraven in Vlaamse aarde. Moge hij bij ons rusten tot in de eeuwigheid, gerechtigheid is geschied. Het commando van de ex- VMO. Kerstweek van het jaar 1997.” Zoals de oorkonden van operatie “Brevier” en “Delta” werd ook bovenstaande tekst gekalligrafeerd door de echtgenote van Eriksson. De video- opnamen duren ongeveer 14 minuten. Alles was gereed, de autotank zat boordevol Iraakse benzine. Het lodencilindertje zat veilig opgeborgen in de ruimte van het reservewiel. Het beetje werktuig lag achteraan in de koffer. De echtgenote van de tweede ex- VMO-er nodigde ons uit op het nuttigen van het avondbrood. Toen wij vertrokken was het donker. Het regende. Er werd onderweg weinig gesproken. De onophoudelijke regen en helle koplampen van de tegenliggers, hinderden mij. Ook de weg was mij vreemd. Ik verliet de drukke rijweg. Het landschap veranderde, huizen werden schaarser. Door het licht van de koplampen kreeg de omgeving een grillig patroon. Uiteindelijk kwamen wij aan de weg waar wij zijn moesten. Het weinige materiaal werd zonder één woord te spreken uitgeladen.

 Ingesloten nieuwe verklaring in de nieuwe cilinder met het stoffelijke overschot van Anton Mussert. (Archief: Jan De Beule)

Ergens ver weg huilde een hond. Toen ik de auto keerde om terug naar de weg te rijden, zag ik nog net in het licht van de koplampen de gravers in de duisternis verdwijnen. Hun schaduwen wierpen in het vage maanlicht groteske vormen af, het leken wel kabolten. In een slakkengangetje reed ik af en aan, de gsm naast mij liggend. Binnen een halfuur zou de klus moeten geklaard zijn. Dat was tenminste de optie van de gravers. Het bleek een juiste inschatting. Dertig minuten later zoemde naast mij een gsm Ericsson. Het was de krakende stem van de tweede ex- VMO-er. Spoorslag keerde ik de wagen en reed naar de plaats waar ik hen had achtergelaten. Zoals twee sluipschutters zaten wij gehurkt te wachten in het beboste struikgewas. Soepel en vlot gleden zij de auto in. Men vond zelfs even de tijd om op mijn leesbril te gaan zitten! Onderweg naar huis zeilend vroeg ik hen hoe het gegaan was. Laat ik even de tweede ex- VMO-er aan het woord: “In de dreef stappen wij uit de auto, het was donker. Bert had geen lichten aan uit veiligheidsoverweging. Er mocht ons niemand zien. Toen wij achter de auto doorgingen schakelde Bert in de achteruitversnelling. Daar stonden wij in het volle licht. Dadelijk doken we weg in het struikgewas. Toen wij even gewend waren aan de duisternis zijn wij dan in gebute houding naar de plaats gelopen die wij voordien hadden uitgekozen. Heel stil hebben wij dan de begrafenis uitgevoerd. Achteraf hebben wij het overtollige zand meegenomen in een jutezak en daarna ergens uitgestrooid. Met de gsm belde ik Bert op die ons dadelijk kwamen ophalen. Het gebeuren heeft niet langer geduurd dan een halfuur”. Tot zover. Hiermede eindigt ons verhaal. Wij weten niet welke de reactie zal zijn van het hedendaagse Nederland. Het interesseert ons ook trouwens niet. Toen wij het gebeente van deze grote- Nederlander aan de Vlaamse aarde hebben toevertrouwd, hebben wij dit gedaan uit menselijke overwegingen en met de overtuiging zijn grootheid levend te houden. Hij heeft zijn volk en vaderland onder alle omstandigheden gediend. Ook al koste hem dit zijn leven. Hij blijft van en bij ons hier in Vlaanderen.

 

Bert Eriksson

Januari 2001.

Oud VMO-leider, Bert Eriksson, bij een verklaring van ‘Operatie Wolfsangel’: Brussel, 2002. (Archief: Jan De Beule)

Inkttekening: Anton Mussert, ‘Korbo’, 2017. (Archief: Jan De Beule)

Potloodtekening: Anton Mussert, ‘Korbo’, 2017. (Archief: Jan De Beule)

Herdenkingsvaandel gemaakt voor de Historische tentoonstelling over Brevier, Deta en Wolfsangel (2017). Jongeren Aktief heeft dit vaandel laten maken. 

(Uit het Archief Rolf Waegeman)