Albrecht Rodenbach

Albrecht Rodenbach is geboren te Roeselare op 27 oktober 1856 en gestorven te Roeselare op 23 juni 1880.

Kader over Albrecht Rodenbach, deze is gebruikt voor de tentoonstelling over 100 jaar Heel-Nederlandse Jeugdbewegingen.

 (Uit het Archief Jan de Beule)

Na het beëindigen van de humaniora op het Klein Seminarie te Roeselare werd hij in 1876 student in de rechten aan de Katholieke Universiteit te Leuven; die studie kon hij niet voltooien.

Een greep uit ons Archief over Albrecht Rodenbach

Groei van zijn levensinzicht:

 Rodenbachs betekenis ligt voor een groot deel in de wijze waarop hij als jongeman gestreefd heeft naar een persoonlijk levensinzicht. Reeds in de eerste geschriften die van hem bewaard zijn gebleven – een gedicht aan een vriend en brieven aan zijn priester-leraar G.H. Flamen – vindt men de eerste sporen van een intellectuele en ook sentimentele onrust die hij niet meer zou kwijtraken. Nadat Flamen had getracht hem gedurende een paar jaren geestelijk te begeleiden, kwam Rodenbach onder de verrijkende invloed van Hugo Verriest. Deze opende voor hem zulke weidse perspectieven in het kunst- en geestesleven, dat hij op sommige ogenblikken werkelijk vertrouwen kreeg in diens optimisme en in de ordenende, harmoniserende kracht van het menselijk denken. In de overtuiging dat volledige verstands- en gemoedsrust bereikbaar was, schreef hij toen zijn gedicht Waarheid (1877), een monument van wilskrachtige levensinzet en onvoorwaardelijke grootmoedigheid. Uit datzelfde jaar dateert echter ook zijn Abyssus abbyssum invocat, de verwoording van zijn inzicht dat geen enkele inzet groot genoeg zal zijn, dat elk perspectief steeds nieuwe vergezichten zal oproepen, dat geen verlanging blijvend bevredigd kan worden. In geschiedenisse (1878), een grote poging om heel het menselijk bestaan in zijn concreet historisch verloop te overzien, ziet hij de erfzonde als de oorzaak dat men zijn doel nooit bereikt, maar bevestigt hij dat men ook dan nog moet blijven “sterven”: niet het bereiken van iets belangrijk, maar “het is de rechte richting die geerd wordt en geloond” (vers 227). Enkele reële ontgoochelingen in zijn Leuvense jaren braken daarna zijn idealisme, waarvan duidelijke sporen in vele teksten uit zijn periode te vinden zijn. Rodenbach werd toen ziek en stierf veel te jong. Maar zijn laatste woorden getuigde opnieuw van hoop en moed: Macte animo (oktober 1879).

Koekendoos Albrecht Rodenbach (Uit het Archief Jan de Beule)

ABYSSUS ABYSSUM INVOCAT

O Jongling, zie rond u de wereld strekken,
zo kleurig in het kwikkend zonnelicht,
zo geurig in de frisse morgenwind.
Voel 't vruchtbaar leven in haar gronden woelen,
en, rustloos stijgend, heen end weder striemen,
door veie grond en eik en wiegend gras.
Bezie het immer reizend water stromen
en vlieten, storten, klaatren, golven, dampen.
Aanhoor van onder 't loof de vogelreien,
bezie ze stijgend door de blauwe lucht.
Bezie die hemel, die onmeetbaarheid,
en raad de werelden die ginderboven
in eeuwige orde door elkander ijlen.
Bezie hoe dag en nacht elkaar vervolgen,
en bloedig, ginds en ginds, elkaar bevechten,
daar wijd op aarde en lucht de bloedstraal speerst.
Bezie dat levend wonderbaar Heelal,
bevroed de afgrond die ginds hoge strekt,
bevroed de afgrond die uw voeten terten,
en naar de afgrond dan zal de afgrond roepen,
en wondre stemmen zult gij in u horen
van uit de afgrond die gij in u draagt,
van uit die afgrond waar een leven waagt
o duizend malen woeliger en wilder!
Daar hoge vliegen werelden voorbij,
daar lege ruisen heimelijke krachten,
maar in die ziele leven krachten sterker
en wilder dan die temme dommekracht.
Daar stijgt en breekt de zee der lijdenschap
en huilt in toorn en stort verzuchtend weder.
Daar rept de vleugels 't rusteloos gedacht
en stijgt nog hoger dan die sterren ijlen,
en pegelt dieper dan die krachten werken,
daar hem gedurig als een diepe wonde sert
het ingeboren heimwee naar de Afgrond,
het brandend langen naar het eeuwig Wezen,
den ongenoemde, onbegrepen - Hem,
Hij schiep de afgrond waar de sterren ijlen,
Hij schiep de zieren en Hij schiep 't Heelal,
Hij schiep de afgrond dezer wilde ziele.
En daarom leeft in haar dat eeuwig langen,
en stuwt het rustloos hare krachten op,
dat zij, onstuimig steeds en tegenstrijdig,
in hunne afgrond woelen lijk de zee
die wringt en huilt door wilde wind gezweept.
O lijdenschap! O ongetemde krachten!

Briefpapier met bijhorende omslagen eind jaren 1920 (Uit het Archief Jan de Beule)

In welke richting Rodenbachs levensopvatting verder zou zijn geëvolueerd, heeft zelfs Hugo Verriest niet kunnen zeggen, hoewel deze zijn psychische ontwikkeling het meest van nabij heeft kunnen volgen: “hij zou ook geworden zijn de dromer, de zoeker door de allerdiepste en duistere theorie, smachtend achter verklaring en angstig om het ongevonden woord en licht: mysterium… hij zou gedoold hebben misschien, God weet hoe of waar”. In verband met het filosofisch systeem dat Rodenbach wellicht het meest zou hebben aangesproken, heeft Verriest ook de naam Hegel niet zonder reden genoemd; er zijn heel wat aanduidingen in Rodenbachs geschriften die hieraan kunnen doe denken.

Het leven van Rodenbach als vervolgverhaal in een West Vlaamse krant in de jaren 30 (Uit het Archief Jan de Beule)

Groei van zijn Vlaams Bewustzijn:

Dezelfden die zijn geestelijke groei hebben begeleid in de Roeselaarse periode – Flamen en Verriest – hebben Rodenbach ook gevoelig gemaakt voor de toenmalige noden van het Vlaamse volk. In de oudst bewaarde brief aan Flamen schreef hij: “ayez pitié de moi qui ne connais le Flamand que de réputation” (1872). In de laatste jaren van zijn verblijf op het Klein Seminarie werd hij evenwel de voortrekker van de Vlaamse actie. Als begaafd leerling viel het hem moeilijk zich op te werpen als onbetwiste leider. Met typische knapenmentaliteit verzette hij zich tegen het traditioneel Franstalig schoolbestuur, verspreidde scherpe vlugschriften en gedichten die geestdrift voor de Vlaamse zaak moesten wekken, hield toespraken in het Nederlands op Franstalige schoolfeesten en verlangde vurig naar de tijd dat hij uit benepenheid van het internaat bevrijd zou zijn om dan aan veel ernstiger actie te kunnen beginnen.

Brochures jaren 50 (Uit het Archief Jan de Beule)

Klaarblijkelijk en ook begrijpelijk is, dat Rodenbach te Roeselare nog weinig heeft getheoriseerd over de grond van de Vlaamse Beweging. Voor hem was de toestand overduidelijk: zijn volk werd door verfransing verbasterd, het onderwijs speelde hierin de gevaarlijkste rol, de kerkelijke en andere overheden verhinderden de ontplooiing van de eigen volksaard. Daartegenover plaatste hij niet de kracht van het denken, maar de zuivere daad.

Nu het lied der Vlaamse zonen,
nu een dreunend kerelslied,
dat in wilde noordertonen
uit het diepst ons herte schiet.

 

Ei! het lied der Vlaamse zonen,
met zijn wilde noordertonen,
met het oude Vlaams Hoezee.
Vliegt de blauwvoet? Storm op zee!

 

't Wierd gezeid dat Vlaanderen groot was,
groot scheen in der tijden wolk,
maar dat Vlaanderland nu dood was,
en het vrije kerelsvolk.

 

Maar dan klonk een stemme krachtig
over 't oude noordzeestrand
en het stormde groots en machtig,
in dat dode Vlaanderland.

 

En hier staan wij, 't hoofd omhoge,
vuisten siddrend, kokend bloed;
vlam in 't herte, vlam in de oge,
en ons naam ons trillen doet!

 

Van de blonde noordse stranden,
dwang en buigen ongewend,
onze vaders herwaarts landden,
leden, streden, ongetemd.

 

Ja wij zijn der Vlamen zonen,
sterk van lijve, sterk van ziel,
en wij zou'n nog kunnen tonen,
hoe de klauw der Klauwaars viel.

 

Op ons vane vliegt de Blauwvoet,
die voorspelt het zeegedruis,
en de Leeuw er met zijn klauw hoedt
mijn lieve dierbaar kruis.

 

Weg de bastaards, weg de lauwaards.
ons behoort het noordzeestrand,
ons de kerels, ons de Klauwaars,
leve God en Vlaanderland!

Pallieter 13 april 1924 (Uit het Archief Jan de Beule)

Ons Volk ontwaakt (Uit het Archief Jan de Beule)

Vlaamse actie te Leuven:

Toen Rodenbach in oktober 1876 als student te Leuven kwam, ontplooide hij onmiddellijk de werkelijk verbluffende activiteit waarvan hij zo lang had gedroomd. Het was als een reactie die losbrak na de stijgende spanning der laatste humaniorajaren. Hij liet zich als lid van het Vlaams Letterlievend genootschap Met Tijd en Vlijt inschrijven en reeds op 5 november van hetzelfde jaar trad hij er op met lezing uit eigen werk. In februari 1877 stichtte hij met hulp van professor P. Alberdingk Thijm een studentenafdeling van het Davidsfonds onder het voorzitterschap van professor Gustaaf Verriest. In april en september speelde hij een leidende rol op de algemene vergaderingen van de pas opgerichte Vlaamse Studentenbond. In januari 1878 verscheen onder zijn redactie het eerste nummer van het tijdschrift Het Pennoen (waarin hij zelf schreef onder de pseudoniem Harold en Bursche). Ondertussen stond hij voortdurend in briefwisseling met studentengilden in vele plaatsen in Vlaanderen, hield spreekbeurten, schreef bijdragen voor de Vlaamse Vlagge enzovoort. Zeer belangrijk was ook zijn inzet voor het toneel: hij schreef verscheidene stukken, regisseerde, schilderde de decors en trad ook zelf op als acteur.

Rodenbach in het repressietijdschrift Rommelpot 1947-1948 (Uit het Archief Jan de Beule)

Crisis in doen en denken:

In Rodenbachs psychische ontwikkeling en in zijn Vlaams gezindheid is er geen breuk tussen de Roeselaarse en de Leuvense jaren: maar toen hij in oktober 1878 voor de derde maal naar de universiteit terugkeerde, was er in heel zijn houding opvallend veel veranderd. Metend met de streng-idealistische maatstaven die hij in gedichten als Waarheid en Geschiedenisse had aangelegd, kan het niet verwonderen dat hij om zich heen gemakkelijk ontrouw, zelfs oneerlijkheid meende waar te nemen. De activiteiten van het genootschap Met Tijd en Vlijt voldeden hem niet meer, in de studentenafdeling van het Davidsfonds werd hij langzaam minder actief, zijn Vlaamse vrienden klaagden erover, dat ze nog slechts contact met hem kregen , in de strijd tussen P. Alberdingk Thijm en P. Willems om het leiderschap van het Davidsfonds koos hij partij voor Thijm, omdat deze de verwezenlijking van zijn idealistische plannen boven het eigenbelang stelde, terwijl Willems eerder arrivistisch en als behendig politicus scheen te handelen. Ook met zijn vriend en medestichter Pol de Mont, brak hij; wellicht heeft de concurrentie in de liefde voor hetzelfde meisje hierin een rol gespeeld (volgens een mondelinge mededeling van Frits de Mont, zoon van Pol), maar ook verschil in opvatting over de Vlaamse Beweging lag zeker hieraan ten grondslag. Bovendien verweet Rodenbach zijn vriend diens arrivisme en tekort aan idealisme. Hij trad ook uit de redactie van Het Pennoen, stichtte alleen Het Nieuwe Pennoen en vulde het met eigen bijdragen onder verschillende schuilnamen. Omstreeks dezelfde tijd maakt Rodenbach enkele vrienden onder de Franstalige studenten te Leuven. Door hen kwam hij in contact met de groep van het tijdschrift Le Jeune Belgique. Deze vrienden opende voor hem een nieuwe weg naar een rijker cultuurleven, maar sommigen onder hen hebben hem ook meegetroond in een bourgeois-milieu, waar Rodenbach zelf tijdelijk heeft gecapituleerd voor louter genietingen van het leven.

Stripverhaal 1980 getekend door bekende striptekenaar Jef Neys (Uit het Archief Jan de Beule)

Behalve al deze factoren hebben eveneens sommige gebeurtenissen in zijn persoonlijk leven bijgedragen tot Rodenbachs eerder negatieve houding gedurende zijn laatste twee levensjaren. Een niet vervulde liefde tot Elisabeth, dochter van professor Thijm, en andere minder ernstige liefdeservaringen hebben hem gekwetst en verleid tot een gepijnigd sarcastische houding tegenover alles. De liefde, het leven in het algemeen en de Vlaamse zaak in het bijzonder.

In 1980 werd door de regie der belgische posterijen een postzegel ter ere van Rodenbach uitgegeven (Uit het Archief Jan de Beule)

Ondanks de grote verandering in zijn activiteiten, ondanks ook de duidelijke emotionele evolutie die hij onderging, kan men toch niet zeggen dat er na oktober 1878 een belangrijke ontwikkeling in zijn denken heeft plaatsgegrepen. Hij maakte zich weliswaar los van de streng-katholieke opvattingen die hij tijdens zijn Klein Seminarie opvoeding te Roeselare (ook) had meegekregen, hij nam contact en toonde begrip voor liberale figuren uit de toenmalige cultuurkringen, hij formuleerde soms bitter zijn kritiek op de houding en het beleid van de geestelijkheid enzovoort. Maar uit de bewaarde teksten blijkt duidelijk:

1)     Dat de verschuivingen in zijn opvattingen nog slechts crisisuitingen waren waaraan men nog niet kon merken in welke richting ze zich zouden consolideren.

2)     Dat Rodenbach op het plan van de eigenlijke theorievorming eigenlijk nog nergens was. Men kan bij hem nog niet spreken van duidelijke politieke opvattingen, bijvoorbeeld in verband met de verhouding tussen staat en volk. Belgie kreeg wel verzijten toegeslingerd, maar geen voorstellen; Frankrijk was alleen maar het symbool van wat slap en slecht was; Duitsland daarentegen was “voorbeeld” van de wijze waarop een volk aan nationale zelfverheffing kon doen.

In de formulering van zijn nagestreefd doel voor de Vlaamse Beweging is geen grondige wijzigingen vast te stellen ten opzichte van wat hij daarover voor 1878 schreef. Hij bleef er de nadruk op leggen dat de strijd niet allen gericht moest zijn op de taal, maar ook op de revaluatie van heel het Vlaamse wezen, de eigen aard, de gebruiken, de opvattingen, de kunst, de handel enzovoort. Het kader waarin hij wilde strijden was hem nog niet definitief duidelijk: West-Vlaams, Vlaams Groot-Nederlands? Andere grote bewegingen, zoals de democratie en het socialisme, hebben hem nog maar nauwelijks beroerd.

Originele postkaart van het Standbeeld van Albrecht Rodenbach te Roeselare (Uit het Archief Jan de Beule)

En toch pas 24-jarige Rodenbach heeft deze crisis in doen en denken niet meer kunnen uitleven. De laatste maanden, tijdens zijn ziekte, stond hij duidelijk aan het begin van een verdere verdieping door bezinning. Veel wijst erop, dat hij zijn concrete ontgoochelingen positief zou hebben verwerkt. Normaal zou deze periode (1878-1880) slechts een voorbijgaande inzinking hebben betekend die hij met zijn aangeboren daadkracht weer zou hebben overwonnen. Indien het hem gegeven geweest was, had hij als doctor in de rechten voor Vlaanderen in die laatste decennia van de 19de eeuw nog zeer veel kunnen verwezenlijken

Rodenbachlied door Cyriel Verschaeve (Uit het Archief Jan de Beule)

Rodenbach als dichter:

Ondanks de gangbare opvatting moet gezegd worden dat het hoofdmotief van Rodenbachs dichtwerk niet Vlaanderen geweest is, maar in de eerste plaats zijn persoonlijke problematiek als knaap als jongeman. Dat neemt niet weg dat hij waardevolle, enthousiaste strijdliederen en zelfs Vlaams geïnspireerde gedachtenlyriek geschreven heeft. De literair hoogstaande e de menselijk diepste gedichten zijn echter die waarin hij zoekt naar een oplossing voor zijn levensproblemen. In een vorige paragraaf werd reeds gewezen op de betekenis van de gedichten als Waarheid, Geschiedenisse, Abyssus abyssum invocat, Macte Animo. Belangrijk in dit opzicht zijn ook nog Die Beke (1875), Aan Maria (1876), Weelde (1876), De Zwane (1878), De Arend (1878), Vrede (1879) enzovoort.

Brochure 1931 met tekening van Abraham Hans (Uit het Archief Jan de Beule)

Bovendien is voor de kennis van Rodenbachs persoonlijke problematiek zijn dagboek Wahrheit en Dichting uiterst belangrijk. Ten slotte is er zijn drama Gudrun en een aantal andere toneelteksten. Ook in Gudrun is de Vlaamse dimensie niet de diepste. In het kader van een verhaal waarvan verschillende elementen op de feitelijke geschiedenis van Vlaanderen kunnen terug gaan, ontleedde hij vooral zijn eigen psychische moeilijkheden. Elk van de voornaamste figuren die in het drama een rol spelen, heeft hij belast met één of meer van de karaktertrekken die hij bij zichzelf meende vast te stellen. Hij heeft het als onvolgroeid dramaturg niet gekund in één enkel grote figuur de construeren die zijn totale complexiteit weergaf, maar zijn problemen uiteengerafeld en verdeeld om ze te kunnen overwinnen. De verhouding Gudrun – Herwig , Gudrun – Allectus, en Gudrun – Camillus zijn aspecten van zijn eigen houding tegenover de vrouw. Carausius is de arrivist in hem, wiens handelen en inzichten hij geen geloof heeft en die daarom moet mislukken. Wate, de strever, zal uiteindelijk zegevieren in zijn opzet. Aan wate heeft Rodenbach nog eens getoond (zoals in Geschiedenisse) dat niet het onmiddellijk bereiken van het doel de maatstaf voor een leven is, maar dat “de goede richting” geloond wordt. Wate is degene die zich bewust tegen het noodlot verzet, die dan ook de speelbal van dat noodlot wordt, maar wiens juiste gerichtheid uiteindelijk over alle tegenslagen doet triomferen. Het lag in de literaire plannen van Rodenbach nog een grote toneelcyclus te schrijven: De Humana Comoedia, waarin hij aan de hand van belangrijke helden uit de geschiedenis, de literatuur en de mythologie het hele menselijk bestaan wilde uitbeelden. De dood heeft hem dit verhinderd.

Vnj initiatief nieuwsblad 12 november 1979 (Uit het Archief Jan de Beule)

5 delige Vervolg reeks in Gazet van Antwerpen 1975 (Uit het Archief Jan de Beule)

Het Vlaams studentenvolk.

Hoerah! ’t Vlaams studentenvolk,
Laat ons zingen,
Wij, Vlaanderens hope, wij Vlaanderens kracht!
Vooruit! en sluit de Gildekringen,
Spijts ‘t wijze volk dat met ons lacht!
Hoerah! ’t Studentenvolk!

De Vlaming stond de Wale na te apen,
Vlaanderens verleden scheen een toverwolk;
Vlaanderen wierd de doodslaap te slapen
Maar dan ontwiek ’t studentenvolk.

Te midden van die jonge Vlaamse zonen
Stond dan een priester en hij sprak en zong
Zong ‘t lied van Vlaanderen in die oude tonen
Zong en zijn lied in d' herte drong.

En sedert dien de jongelingen gingen
t' Hoofd in de lucht ‘omdat ik Vlaming ben’.
Hoor hoe ze leven, hoor de reien zingen;
‘t Oud Vlaamse volk herleeft in hen.

Wij zijn de toekomst, laat ze dan maar greten,
Of spuigen vier, of kroppen hunne spijt;
Wij doen ons beste, willen kerels heten
En hebben dorst naar kamp en strijd.

Broeders, vooruit rondom de Vlaamse vane
Gilde bij gilde, en zingend hand in hand;
Luider dan ‘t kraaien van de Franse hane:
‘Voor God en kerke en ‘t Vlaamse land!’

Hoerah! ’t Vlaams studentenvolk!
Laat ons zingen,
Wij, Vlaanderens hope, wij Vlaanderens kracht!
Vooruit! en sluit de Gildekringen
Spijts ‘t wijze volk dat met ons lacht!
Hoerah! ’t Studentenvolk!

Krant van West Vlaanderen 15 september 2006 (Uit het Archief Jan de Beule)

Geschreven door:

Rolf Waegeman

Geraadpleegde werken:

-         Gechiedenis van de vlaamse gedachten - H.J. Elias

-         De ontwikkeling van Rodenbach’s levenszicht

-         Verzamelde werken van Albrecht Rodenbach

-         Encyclopedie van de Vlaamse Beweging